Bestemmingsplan Eindhoven deels getoetst door Raad van State
ECLI:NL:RVS:2025:6326, Raad van State, 24-12-2025, 202304574/1/R2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 30 mei 2023 heeft de raad van de gemeente Eindhoven het bestemmingsplan "Land Forum (politielocatie)" vastgesteld. Het plan voorziet in de ontwikkeling van de locatie Land Forum in Eindhoven tot een multifunctionele politielocatie met een maximum bruto vloeroppervlakte van 5.000 m2 waar diverse centrale functies van - met name - de regionale eenheid Oost-Brabant van de politie zullen worden gehuisvest. Het plan betreft een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte omdat het plangebied is aangewezen als innovatief plan onder de Chw. Het plan voorziet in een globale regeling, waarin uitsluitend randvoorwaarden zijn vastgelegd. Bewonersvereniging Meerhoven is een collectief dat bestaat uit bewoners van de Eindhovense wijk Meerhoven. Naast de bewonersvereniging hebben in totaal 73 bewoners van deze woonwijk beroep ingesteld. De wijk grenst aan het plangebied. Bewonersvereniging Meerhoven en anderen vrezen onder meer voor overlast door het beoogde cellencomplex. [appellant sub 2] woont aan de [locatie] in Eindhoven. Deze straat maakt deel uit van het plangebied en zal in de nieuwe situatie worden verlegd. Om het plan uit te kunnen voeren moet [appellant sub 2] zijn woning verlaten, maar de onderhandelingen voor de minnelijke verwerving gaan volgens hem niet soepel.
Kern van de zaak
Bewonersvereniging Meerhoven en anderen en een individuele bewoner (appellant sub 2) hebben beroep ingesteld tegen een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte voor een gebied in Eindhoven. De bewoner moet zijn woning verlaten vanwege een geplande straatverzwering, terwijl minnelijke onderhandelingen moeizaam verlopen. De bewonersvereniging betwist onder meer de rechtmatigheid van het inspraakproces.
Beslissing van de rechter
De beroepsgronden van de Bewonersvereniging Meerhoven over het inspraakproces worden verworpen, omdat voldaan is aan artikel 6 lid 1 van de inspraakverordening door toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afd. 3.4 Awb). De beroepsgronden van de individuele bewoner worden in het licht van het lopende minnelijke verwervingstraject beoordeeld; een definitieve einduitspraak over alle aspecten is op basis van de beschikbare tekst niet volledig te reconstrueren.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande jurisprudentie toe over overgangsrecht Omgevingswet en de vereisten van inspraakverordeningen; er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld. De zaak is casuïstisch van aard en heeft beperkte precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Op de procedure is het oude recht van toepassing (Wro en Chw), omdat het ontwerpplan vóór 1 januari 2024 ter inzage is gelegd (overgangsrecht Omgevingswet).
- 2Het betreft een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte op grond van de Crisis- en herstelwet als innovatief plan met een globale regeling en randvoorwaarden.
- 3Het inspraakproces voldoet aan de inspraakverordening nu de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Awb is gevolgd.
- 4De beroepsgronden van de individuele bewoner zijn sterk verweven met de minnelijke verwervingsonderhandelingen over zijn woning.
- 5De raad heeft het advies van de klankbordgroep uitgebreid betrokken bij de belangenafweging, zo blijkt uit de zienswijzennota.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afd. 3.4 Awb) volstaat om aan een gemeentelijke inspraakverordening te voldoen. Verder illustreert de zaak de toepassing van het overgangsrecht bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024.
Praktische impact
Voor de individuele bewoner blijft de dreiging van gedwongen vertrek uit zijn woning bestaan zolang minnelijke verwerving niet slaagt; zijn juridische positie in de bestemmingsplanprocedure biedt beperkte zelfstandige bescherming. Voor de bewonersvereniging biedt het bezwaar tegen het inspraakproces geen soelaas.
Onderwerp-impact
Projecten in het kader van de Crisis- en herstelwet met een globale bestemmingsregeling kunnen ondanks inspraakbezwaren worden voortgezet mits de wettelijke procedurevoorschriften zijn nageleefd, wat de doorlooptijd van ruimtelijke ontwikkelingen ten goede kan komen.
Samenvatting
Deze uitspraak van de Raad van State betreft een beroepsprocedure tegen een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte voor een gebied in Eindhoven, vastgesteld onder de Crisis- en herstelwet als innovatief plan. Omdat het ontwerpplan op 30 juni 2022 ter inzage is gelegd, is het overgangsrecht van toepassing en blijft het oude recht — de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet — van toepassing op deze procedure, ondanks de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024. Twee categorieën appellanten komen aan bod. De Bewonersvereniging Meerhoven en anderen voeren aan dat het inspraakproces voorafgaand aan de planprocedure niet voldeed aan de gemeentelijke inspraakverordening. De Afdeling bestuursrechtspraak verwerpt dit betoog. Artikel 6 lid 1 van de inspraakverordening schrijft de toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Awb voor, en aan dit vereiste is voldaan. Bovendien heeft de gemeenteraad het advies van de klankbordgroep en de inbreng uit de drie inhoudelijke bijeenkomsten uitgebreid verwerkt in de zienswijzennota en de bredere belangenafweging. De bewonersvereniging heeft haar stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd. De tweede appellant, een individuele bewoner wiens woning gelegen is aan een straat die in het nieuwe plan wordt verlegd, heeft beroep ingesteld mede vanuit de context van moeizame minnelijke verwervingsonderhandelingen. Ter zitting is gebleken dat zijn beroepsgronden nauw samenhangen met dat onderhandelingstraject. Een volledige beoordeling van zijn inhoudelijke grieven is op basis van de beschikbare uitspraaktekst niet te reconstrueren. De uitspraak heeft beperkte zelfstandige precedentwerking, maar bevestigt de vaste lijn dat naleving van afdeling 3.4 Awb tevens voldoet aan gemeentelijke inspraakverplichtingen, en verduidelijkt de toepassing van het overgangsrecht bij de Omgevingswet.