Beroep tegen bestuursdwang afvalstoffenovertreding ongegrond verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:4396, Raad van State, 29-07-2026, 202503364/1/R4
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 7 januari 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad zijn beslissing om op 2 januari 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2020 van de gemeente Zaanstad in samenhang met het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Zaanstad 2020 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 210,00, voor rekening van [appellante] komen. [appellante] betoogt dat het college het besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Zij voert aan dat in het besluit staat dat de doos naast de container is aangetroffen, terwijl de doos op de foto’s in een container is geplaatst. Daarmee heeft het college volgens haar bevestigd dat de doos correct is weggegooid. [appellante] betoogt dat het college haar niet als overtreder had mogen aanmerken zonder eerst onderzoek te verrichten. Het college had onderzoek moeten verrichten naar haar precieze omstandigheden en had haar zorgondersteuner, die de doos voor haar heeft weggebracht, om een verklaring moeten vragen. Dat het college [appellante] verantwoordelijk houdt voor het verkeerd aanbieden van de doos zonder dat dit onderzoek is verricht, is volgens [appellante] in strijd met het zorgvuldigheidbeginsel.
Kern van de zaak
Een bewoner uit Zaandam kreeg een last onder bestuursdwang opgelegd nadat een doos met adresdrager op 2 januari 2025 naast een ondergrondse papiercontainer was aangetroffen. De gemeente verwijderde de doos en verhaalden de kosten op appellante. Zij bestreed zowel de motivering als haar kwalificatie als overtreder.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het beroep ongegrond. Doorslaggevend is dat de foto waarop appellante zich beroept het afval in het voertuig van de toezichthouder toont en niet in een container, en dat het bewijsvermoeden bij herleidbaar afval aan appellante rechtmatig is tegengeworpen zonder nader onderzoeksplicht.
Impactscore
LaagDe uitspraak past volledig binnen vaste rechtspraak van de Afdeling en bevat geen nieuwe rechtsnormen; de feitelijke en juridische vragen zijn routinematig van aard.
Belangrijkste punten
- 1Spoedeisende bestuursdwang was gericht op verwijdering van fout aangeboden doos naast ondergrondse papiercontainer in Zaandam.
- 2Appellante betwistte de motivering op basis van een foto, maar de foto toonde het afval in het voertuig van de toezichthouder, niet in de container.
- 3Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling geldt een bewijsvermoeden: herleidbaar verkeerd aangeboden afval impliceert dat de adreshouder de overtreder is.
- 4Het college was niet gehouden aanvullend onderzoek te verrichten of de zorgondersteuner van appellante te horen alvorens haar als overtreder aan te merken.
- 5Het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel faalt omdat het bewijsvermoeden voldoende rechtvaardiging biedt voor de aanwijzing als overtreder.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn van de Afdeling dat een adresdrager op verkeerd aangeboden afval volstaat als grondslag voor het bewijsvermoeden van overtrederschap, zonder dat aanvullend feitenonderzoek is vereist. Dit legt de bewijslast bij de burger om het vermoeden te weerleggen.
Praktische impact
Bewoners die afval laten aanbieden door derden (zoals zorgondersteuners) blijven zelf verantwoordelijk voor correct aanbieden en kunnen op basis van een adresdrager worden aangesproken voor kosten van bestuursdwang.
Onderwerp-impact
Voor gemeenten bevestigt dit de handhaafbaarheid van afvalstoffenregelgeving via het bewijsvermoeden; voor zorgafhankelijke bewoners onderstreept het de noodzaak om derden goed te instrueren over afvalaanbieding.
Samenvatting
Op 2 januari 2025 trof een gemeentelijk toezichthouder in Zaandam een doos aan naast een ondergrondse papiercontainer aan de Tuiniersstraat. De doos bevatte een adresdrager die leidde naar appellante. Het college van burgemeester en wethouders paste spoedeisende bestuursdwang toe door de doos te verwijderen en stelde appellante aansprakelijk als overtreder van de afvalstoffenregelgeving. Appellante bestreed de rechtmatigheid van dit besluit op twee gronden. Ten eerste betoogde zij dat de motivering ondeugdelijk was, omdat op een foto de doos in een container zou zijn geplaatst — wat zou betekenen dat zij het afval correct had aangeboden. Het college legde echter uit dat de toezichthouder het afval eerst fotografeerde op de aangetroffen locatie, vervolgens verplaatste naar zijn voertuig voor nader onderzoek, en de adresdrager daar fotografeerde. De Afdeling stelde op zitting vast dat de bewuste foto het afval in het voertuig toonde, niet in een container. Deze beroepsgrond faalde. Ten tweede betoogde appellante dat het college haar zonder nader onderzoek niet als overtreder had mogen aanmerken, temeer omdat haar zorgondersteuner degene was die de doos had weggebracht. Zij beriep zich op het zorgvuldigheidsbeginsel. De Afdeling verwierp dit betoog onder verwijzing naar vaste rechtspraak: wanneer verkeerd aangeboden afval herleidbaar is tot een bepaalde persoon, rechtvaardigt dit het bewijsvermoeden dat die persoon de overtreder is. Aanvullend onderzoek of het horen van derden is daarvoor niet vereist. De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het beroep ongegrond. De uitspraak bevestigt bestaande rechtspraak over het bewijsvermoeden bij afvalovertredingen en legt de verantwoordelijkheid voor correct aanbieden van afval onverkort bij de adreshouder, ook wanneer een derde het afval feitelijk heeft aangeboden.