Hoger beroep bewaring vreemdeling ongegrond verklaard
ECLI:NL:RVS:2025:6198, Raad van State, 19-12-2025, BRS.25.001509
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 23 september 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 6 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, hoger beroep ingesteld.
Kern van de zaak
Een vreemdeling (appellant, bijgestaan door mr. A. Khalaf) ging in hoger beroep bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank over de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring die door de minister was opgelegd.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Doorslaggevend is dat de grief geen rechtsvragen bevat die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden (art. 91 lid 2 Vw 2000), en dat de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een routinematige bevestiging van een eerder gevestigde rechtslijn en bevat geen nieuwe rechtsontwikkeling; de verkorte motivering conform art. 91 lid 2 Vw 2000 onderstreept het gebrek aan precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van de verkorte motiveringsplicht ex artikel 91 lid 2 Vw 2000: grief hoeft niet verder uitgewerkt te worden
- 2De rechtsvraag over de feitelijke toelichting van een zware grond bij bewaring was al beantwoord in RvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5262
- 3Geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen dan in de eerdere uitspraak
- 4Ambtshalve toetsing levert geen reden op om de bewaring onrechtmatig te achten
- 5Minister hoeft geen proceskosten te vergoeden
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de lijn uit ECLI:NL:RVS:2025:5262 over de motiveringseis bij zware gronden voor bewaring, zonder nieuwe rechtsontwikkeling toe te voegen. De verkorte afdoening op grond van art. 91 lid 2 Vw 2000 illustreert de standaardwerkwijze bij vreemdelingenbewaring in hoger beroep.
Praktische impact
Voor de vreemdeling betekent dit dat de maatregel van bewaring in stand blijft en dat hij geen proceskostenvergoeding ontvangt. De minister behoudt de rechtmatige grondslag voor de voortgezette bewaring.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken rondom bewaring blijft de lat voor hoger beroep hoog: enkel grieven met relevantie voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling leiden tot inhoudelijke behandeling; overige zaken worden versneld afgedaan.
Samenvatting
In deze zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een hoger beroepszaak over de rechtmatigheid van een maatregel van vreemdelingenbewaring. De appellant, bijgestaan door mr. A. Khalaf te Zwolle, bestreed de uitspraak van de rechtbank die de bewaring rechtmatig had geoordeeld. De centrale juridische vraag was of de rechtbank terecht had geoordeeld dat de zware grond die aan de bewaringsmaatregel ten grondslag was gelegd, voldoende feitelijk was toegelicht. De Afdeling past de verkorte motiveringsregel van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 toe. Dit artikel maakt het mogelijk hoger beroepen af te doen zonder uitgebreide motivering, wanneer de aangevoerde grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord dienen te worden. De Afdeling stelt vast dat de rechtsvraag over de feitelijke toelichting van een zware grond bij bewaring reeds eerder is beantwoord in de uitspraak van 5 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5262, onder 4.1 tot en met 4.3). Het hoger beroep biedt geen aanleiding om in dit geval een ander oordeel te geven. Daarnaast ziet de Afdeling ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep wordt dan ook ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister is niet gehouden proceskosten te vergoeden. De uitspraak heeft een beperkte precedentwerking en illustreert de standaard afhandeling van vreemdelingenbewaringszaken in hoger beroep waarbij geen nieuwe rechtsvragen spelen.