Stichting niet aangemerkt als bestuursorgaan onder Awb
ECLI:NL:RVS:2025:5746, Raad van State, 26-11-2025, 202400609/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij e-mailbericht van 8 mei 2023 heeft de stichting Tijdelijk Noodfonds Energie [appellant] medegedeeld dat hij geen verzoek om een tegemoetkoming uit het Noodfonds Energie meer kan indienen. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is voldaan aan het financiële en inhoudelijke vereiste. Wat het financiële vereiste betreft, voert hij aan dat de financiële inbreng van derden, die vijftig procent bedraagt, onder zware druk van de overheid is bijgedragen. Wat het inhoudelijke vereiste betreft, stelt hij dat de stichting door de overheid is opgericht, wijst hij op de statuten van de stichting en stelt hij dat de koers van de stichting wordt bepaald door twee zwaargewichten uit de Nederlandse politiek.
Kern van de zaak
Een stichting nam op 8 mei 2023 een beslissing waartegen bezwaar werd gemaakt. De vraag was of de stichting een bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, zodat haar beslissing als een appellabel besluit kon worden aangemerkt.
Beslissing van de rechter
De Raad van State bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de stichting geen bestuursorgaan is als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, Awb. De doorslaggevende reden is dat aan de stichting geen publiekrechtelijke bevoegdheid tot eenzijdige bepaling van rechtspositie van anderen bij wettelijk voorschrift is toegekend, zodat haar beslissing niet als een besluit in de zin van de Awb kwalificeert.
Impactscore
MiddelDe uitspraak past binnen een vaste en breed erkende lijn van de Raad van State en voegt geen nieuwe rechtsnorm toe, maar is relevant voor de praktijk rondom de kwalificatie van semipublieke stichtingen als bestuursorgaan.
Belangrijkste punten
- 1Een privaatrechtelijke rechtspersoon is alleen een b-bestuursorgaan indien zij met openbaar gezag is bekleed via een wettelijk voorschrift.
- 2Openbaar gezag vereist een publiekrechtelijke bevoegdheid tot eenzijdige bepaling van de rechtspositie van anderen.
- 3Zonder een daartoe strekkend wettelijk voorschrift is een orgaan van een privaatrechtelijke rechtspersoon in beginsel geen bestuursorgaan.
- 4De beslissing van 8 mei 2023 voldoet niet aan de definitie van 'besluit' in artikel 1:3 Awb, omdat het bestuursorgaanvereiste ontbreekt.
- 5De uitspraak sluit aan bij vaste Afdelingsrechtspraak, met name ECLI:NL:RVS:2014:3379.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat privaatrechtelijke rechtspersonen zonder wettelijke grondslag voor openbaar gezag niet als b-bestuursorgaan kwalificeren, waardoor bestuursrechtelijke rechtsbescherming via de Awb niet openstaat. Dit verduidelijkt de grens van het bestuursorgaanbegrip voor stichtingen die (mogelijk) publieke taken uitvoeren.
Praktische impact
Betrokkenen die bezwaar wilden maken tegen de beslissing van de stichting staan met lege handen binnen het bestuursrecht en zullen hun geschil via het civiele recht moeten beslechten. De stichting zelf is gevrijwaard van de bestuursrechtelijke bezwaar- en beroepsprocedures.
Onderwerp-impact
Voor stichtingen die publieke of semipublieke taken uitvoeren zonder expliciete wettelijke bevoegdheidsgrondslag bevestigt deze uitspraak dat zij niet automatisch onder bestuursrechtelijk toezicht vallen, wat relevant is in sectoren zoals zorg, onderwijs en welzijn.
Samenvatting
In deze zaak stond centraal of een stichting kan worden aangemerkt als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat haar beslissing van 8 mei 2023 als een appellabel besluit zou kwalificeren. Zowel de stichting als de rechtbank namen het standpunt in dat de stichting geen bestuursorgaan is. De Raad van State bevestigt dit oordeel in hoger beroep. De kern van het juridische geschil draait om het b-bestuursorgaanbegrip: een orgaan van een privaatrechtelijke rechtspersoon is alleen een bestuursorgaan indien het met openbaar gezag is bekleed. Dat is het geval wanneer aan het orgaan een publiekrechtelijke bevoegdheid is toegekend om eenzijdig de rechtspositie van andere rechtssubjecten te bepalen. Cruciaal daarbij is dat een dergelijke bevoegdheid in beginsel alleen bij wettelijk voorschrift kan worden toegekend. Nu een dergelijk wettelijk voorschrift in deze zaak ontbreekt, is de stichting geen bestuursorgaan. Als gevolg hiervan kwalificeert de beslissing van de stichting niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, en staat de bestuursrechtelijke bezwaar- en beroepsprocedure niet open. De Raad van State sluit hiermee volledig aan bij de vaste jurisprudentielijn die zijn grondslag vindt in de uitspraak van 17 september 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3379). De uitspraak heeft praktische gevolgen voor partijen die meenden bestuursrechtelijk te kunnen opkomen tegen de beslissing van de stichting: zij zijn aangewezen op de civiele rechter. Tegelijk illustreert de zaak een bredere problematiek: stichtingen die feitelijk publieke of semipublieke taken uitvoeren, maar zonder expliciete wettelijke bevoegdheidsgrondslag, ontsnappen aan bestuursrechtelijke rechtsbescherming. Dit roept vragen op over de democratische controle en rechtsbescherming bij de uitvoering van publieke taken door private entiteiten.