RDW moet CO2-uitstoot voertuig opnieuw beoordelen na CVO
ECLI:NL:RVS:2025:4535, Raad van State, 24-09-2025, 202400521/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 31 mei 2022 heeft de de Dienst Wegverkeer een verzoek van [wederpartij] om de in het kentekenregister geregistreerde CO2-uitstoot van het voertuig met kenteken [kenteken], afgewezen. De CO2-uitstoot van een voertuig is van belang voor de hoogte van de belasting op grond van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Hoe hoger de uitstoot, hoe hoger de bpm. [wederpartij] heeft een naheffingsaanslag bpm ontvangen van de inspecteur van de Belastingdienst. Volgens de Belastingdienst blijkt namelijk uit het kentekenregister van de RDW dat de CO2-uitstoot van het voertuig hoger is dan [wederpartij] bij de bpm-aangifte heeft opgegeven. [wederpartij] heeft het voertuig uit Zwitserland ingevoerd. Om het voertuig in het Nederlandse kentekenregister in te schrijven, heeft hij het voertuig in maart 2020 bij een keuringsstation van de RDW aangeboden. Daarbij heeft hij het Zwitserse kentekenbewijs overgelegd. Omdat daarop geen CO2-uitstoot of een Europese typegoedkeuring waren vermeld, heeft de RDW de CO2-uitstoot berekend volgens de zogenoemde Scandinavische rekenmethode.
Kern van de zaak
Een particulier heeft een voertuig uit Zwitserland ingevoerd en betwist de door de RDW geregistreerde CO2-uitstoot van 297 gr/km. Hij stelt dat de werkelijke uitstoot 243 gr/km is op basis van een fabrikantcertificaat (CVO), en vecht de naheffingsaanslag bpm aan via een wijzigingsverzoek bij de RDW.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de eerdere uitspraak en verklaart het beroep tegen het besluit van de RDW van 29 januari 2024 gegrond; dat besluit wordt vernietigd. De RDW moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen, wat impliceert dat de afwijzing van het wijzigingsverzoek onvoldoende gemotiveerd of rechtens onjuist was.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft praktische betekenis voor importeurs en particulieren met ingevoerde voertuigen en raakt de bewijsstandaard bij kentekenregistratie, maar betreft een relatief specifieke situatie en stelt geen fundamenteel nieuwe rechtsregels.
Belangrijkste punten
- 1De RDW had de CO2-uitstoot berekend via de Scandinavische rekenmethode bij gebrek aan Europese typegoedkeuring op het Zwitserse kentekenbewijs.
- 2Een door de fabrikant afgegeven certificaat van overeenstemming (CVO) met een uitstoot van 243 gr/km kan relevant bewijs zijn voor correctie van de kentekenregistratie.
- 3De RDW stelde als voorwaarde dat het voertuig opnieuw ter keuring moest worden aangeboden, maar de Afdeling oordeelt dat de beslissing op het wijzigingsverzoek onvoldoende gemotiveerd was.
- 4De uitspraak betreft de procedure ex artikel 43e Wegenverkeerswet 1994 voor correctie van kentekenregistergegevens.
- 5De CO2-registratie in het kentekenregister heeft directe gevolgen voor de hoogte van de bpm-heffing.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat de RDW bij de beoordeling van een wijzigingsverzoek ex artikel 43e Wvw 1994 niet zonder meer een fabrikants-CVO als onvoldoende bewijs mag kwalificeren zonder deugdelijke motivering. Dit raakt de bewijsstandaard bij correctie van kentekenregistraties met fiscale gevolgen.
Praktische impact
Eigenaren van ingevoerde voertuigen met een via de Scandinavische rekenmethode vastgestelde CO2-uitstoot krijgen meer juridische ruimte om correctie te verzoeken op basis van een fabrikantcertificaat. De RDW dient bij nieuw besluit de bewijswaarde van het CVO inhoudelijk te beoordelen.
Onderwerp-impact
Voor de bpm-praktijk rondom parallelimport van voertuigen is dit relevant: de CO2-registratie en de daarvoor te hanteren bewijsstandaard bij correctieverzoeken worden nader genormeerd, met directe doorwerking op naheffingsaanslagen.
Samenvatting
Deze zaak draait om de CO2-registratie van een uit Zwitserland ingevoerd voertuig en de fiscale gevolgen daarvan voor de bpm-heffing. Omdat het Zwitserse kentekenbewijs geen CO2-uitstoot vermeldde, berekende de RDW bij inschrijving een uitstoot van 297 gr/km via de Scandinavische rekenmethode. De eigenaar van het voertuig was het hier niet mee eens en diende op grond van artikel 43e van de Wegenverkeerswet 1994 een verzoek in om de registratie te corrigeren naar 243 gr/km, onderbouwd met een certificaat van overeenstemming (CVO) afgegeven door de fabrikant. De RDW wees dit verzoek af omdat een CVO volgens haar onvoldoende bewijs was; het voertuig moest opnieuw ter keuring worden aangeboden. De bestuursrechter in eerste aanleg oordeelde in het voordeel van de eigenaar, en ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt die uitspraak. Het besluit van de RDW van 29 januari 2024 wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering of een onjuiste rechtelijke grondslag voor de afwijzing. De RDW wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van de overwegingen van de Afdeling. Daarbij moet de RDW de bewijswaarde van het overgelegde CVO inhoudelijk beoordelen. De uitspraak is relevant voor de praktijk rondom parallelimport van voertuigen: zij normeert de bewijsstandaard die de RDW mag hanteren bij correctieverzoeken van CO2-registraties, en heeft daarmee indirecte gevolgen voor de hoogte van bpm-naheffingen. De RDW wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.