JurispRadar
ECLI:NL:RBOBR:2026:6949

ECLI:NL:RBOBR:2026:6949, Rechtbank Oost-Brabant, 29-09-2026, 01-284176-25

InstantieUitspraak: 29 september 2026Publicatie: 25 september 2026
Procedure:Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer:01-284176-25

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Poging tot doodslag op een medewerker van een zorginstelling voor mensen die geestelijke gezondheidszorg nodig hebben. De verdachte heeft meermalen tegen het hoofd van het slachtoffer geslagen waarna het slachtoffer het bewustzijn verloor. Vervolgens heeft de verdachte de nek van het slachtoffer vastgepakt en hem met zijn hoofd verschillende malen tegen een marmeren bank geslagen. De verdachte heeft toen het slachtoffer op de grond lag hem tegen het hoofd en de rug getrapt en vervolgens met twee handen de keel van het slachtoffer dichtgeknepen, terwijl het slachtoffer het bewustzijn al had verloren. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte het volle opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer en niet (slechts) voorwaardelijk opzet. De verdachte heeft niet meegewerkt aan een psychologisch onderzoek, maar wel aan een psychiatrisch onderzoek. Geadviseerd is door de psychiater om de verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Bij de strafoplegging houdt de rechtbank hiermee rekening, maar legt uit oogpunt van vergelding wel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op die de duur van de voorlopige hechtenis overstijgt. De rechtbank legt op een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast wordt aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opgelegd, zoals door de psychiater is geadviseerd. Beslissing op vordering benadeelde partij; toegewezen wordt een bedrag aan materiële schade en een bedrag van € 29.150,- aan immateriële schade. Bij de bepaling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse Schaal en de door het LOVS vastgestelde aanbevelingen. Anders dan gevorderd, zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding niet verhogen met een percentage van 20%, maar met een percentage van 10%, omdat de verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd, wat een aanzienlijke invloed heeft op de mate van verwijtbaarheid.

AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data
Originele uitspraak

Recente uitspraken

Rechtbank Den Haag·30 sep 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:28894

~45geschat
Bekijk
Instantie·30 sep 2026

ECLI:NL:RBOBR:2026:7015

~23geschat
Bekijk
Raad van State·30 sep 2026

ECLI:NL:RVS:2026:5785

~60geschat
Bekijk
Raad van State·30 sep 2026

ECLI:NL:RVS:2026:5810

~60geschat
Bekijk