Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing twee kinderen verlengd
ECLI:NL:RBNNE:2026:1796, Rechtbank Noord-Nederland, 13-05-2026, 255230 en 255235
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Samenplaatsing van broer en zus en de betekenis van artikel 8 EVRM. Kinderrechter verlengt kinderbeschermingsmaatregelen en verzoekt de Raad nader onderzoek te doen naar het (woon)perspectief, met inbegrip van de mogelijkheid van samenplaatsing van broer en zus, in het licht van artikel 8 EVRM en vooruitlopend op de wettelijke verankering van samenplaatsing. De Raad krijgt de uitdrukkelijke opdracht om hier aandacht aan te besteden.
Kern van de zaak
Twee kwetsbare kinderen (9 en 6 jaar) staan onder toezicht van de GI en zijn uit huis geplaatst. De ouders oefenen gezamenlijk gezag uit maar kunnen, ook met intensieve ondersteuning, niet voldoen aan de zware opvoedvraag die voortkomt uit trauma, beschadigde ouder-kindrelatie en een erfelijke genafwijking. De GI verzoekt verlenging van de maatregelen.
Beslissing van de rechter
De kinderrechter verlengt zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing van beide kinderen tot 17 november 2026. De doorslaggevende reden is dat de ouders aantoonbaar niet kunnen voldoen aan de verzwaarde opvoedvraag en dat nader onderzoek nodig is naar de toenemende ernstige gedragsproblemen van kind 2.
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige verlengingsbeschikking in een individuele jeugdbeschermingszaak zonder precedentwerking; de kinderrechter past bestaand recht toe zonder nieuwe normen te stellen.
Belangrijkste punten
- 1Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van kind 1 (9 jaar, pleeggezin) en kind 2 (6 jaar, gezinshuis) worden elk verlengd tot 17 november 2026.
- 2Beide kinderen hebben een genafwijking en een trauma, wat leidt tot een verzwaarde opvoedvraag die de ouders ook met intensieve hulp niet aankunnen.
- 3Kind 2 vertoont de afgelopen maanden in ernst toenemende gedragsproblemen; nader onderzoek naar aard en oorzaak is noodzakelijk.
- 4Kind 2 is medio maart 2026 voor de tweede maal overgeplaatst, wat een extra belasting vormt bovenop de uithuisplaatsing zelf.
- 5De beschikkingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard; de GI dient twee weken voor de mondelinge behandeling een schriftelijke rapportage in te dienen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past binnen de vaste lijn van de Nederlandse jeugdbeschermingspraktijk waarbij verlenging van OTS en UHP wordt toegestaan als terugkeer naar de ouders niet in het belang van het kind is en de gronden voor de maatregel voortbestaan. Er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld.
Praktische impact
De kinderen blijven tot minimaal november 2026 in hun respectieve plaatsingen; de ouders behouden slechts begeleide contactmomenten van anderhalf uur per twee weken. Voor kind 2 wordt aanvullend gedragsonderzoek gestart.
Onderwerp-impact
In de jeugdzorg bevestigt deze uitspraak dat meervoudige overplaatsingen en een combinatie van trauma en medische problematiek voldoende grond vormen voor verdere verlenging van beschermingsmaatregelen, ook als dit voor het kind extra belastend is.
Samenvatting
In deze gevoegd behandelde zaken verzoekt de Gecertificeerde Instelling (GI) de kinderrechter van Rechtbank Noord-Nederland om verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen: de negenjarige kind 1 en de zesjarige kind 2. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit, maar zijn er ondanks intensieve begeleiding niet in geslaagd te voldoen aan de zware opvoedvraag die de kinderen stellen. Die opvoedvraag is meervoudig bepaald: beide kinderen dragen een genetische afwijking die extra medische zorg vereist, hebben een belast verleden en kampen met trauma en een beschadigde ouder-kindrelatie. Kind 1 verblijft al sinds februari 2021 in een pleeggezin; kind 2 is in augustus 2024 uit huis geplaatst en heeft sindsdien meerdere plaatsingen doorlopen, waaronder twee overplaatsingen naar gezinshuizen. Medio maart 2026 is kind 2 opnieuw overgeplaatst naar een gezinshuis in verband met in ernst toenemende gedragsproblemen. De kinderrechter oordeelt dat de gronden voor de beschermingsmaatregelen onverminderd aanwezig zijn. De ouders kunnen, ook met de geboden hulp, niet aan de opvoedvraag voldoen. Bovendien is nader onderzoek noodzakelijk naar de aard en oorzaak van de gedragsproblematiek van kind 2, mede in het licht van de extra belasting die de herhaalde overplaatsingen op hem leggen. De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling én de machtiging tot uithuisplaatsing van beide kinderen tot 17 november 2026 en verklaart de beschikkingen uitvoerbaar bij voorraad. De GI wordt verplicht twee weken voor de eerstvolgende mondelinge behandeling een schriftelijke rapportage in te dienen. De contactregeling — één begeleid contactmoment per twee weken met elk van de ouders — blijft ongewijzigd van kracht.