JurispRadar
ECLI:NL:RBNHO:2026:11306Middel38/100

Belastingdienst wint: gedaagde moet klantdata verstrekken

ECLI:NL:RBNHO:2026:11306, Rechtbank Noord-Holland, 02-09-2026, C/15/379562 / KG ZA 26-376

Rechtbank Noord-HollandUitspraak: 2 september 2026Publicatie: 31 augustus 2026
Procedure:Kort geding
Zaaknummer:C/15/379562 / KG ZA 26-376
Privacyrecht / AVG
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Handhaving
Financiele Dienstverlening
Retail
Databescherming
Awr Informatieverplichting
Fishing Expedition
Loyaliteitsprogramma
Navorderingstermijn
Kort Geding Belastingdienst

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang voor de tijdvakken 2019 tot en met 2025 voldoende aanwezig is en dat het geschil zich leent voor afdoening in kort geding. Van een fishing expedition is geen sprake; de Belastingdienst blijft binnen de grenzen van haar bevoegdheid en handelt volgens beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Er is (dan ook) geen sprake van schending van de AVG en van artikel 8 EVRM. De voorzieningenrechter is wel van oordeel dat de gevorderde opgave van de aanwezigen bij de door de business club georganiseerde evenementen te ver gaat. Het privacy karakter van deze gegevens is nogal hoog en de Belastingdienst kan vragen over die evenementen na ontvangst van de personalia ook aan de betrokken belastingplichtigen stellen. Met uitzondering van de naam op de winkelpas moeten voor het overige de gevraagde gegevens worden verstrekt. De dwangsom wordt opgelegd in een beperktere omvang en in een iets gematigder modaliteit dan gevorderd.

Kern van de zaak

De Belastingdienst vordert in kort geding dat een bedrijf (gedaagde) op grond van de artikelen 47, 49 en 53 AWR gegevens verstrekt over leden/klanten voor de jaren 2019-2025, vermoedelijk in verband met een loyaliteitsprogramma of business club met shoptegoed. Gedaagde weigert medewerking en kwalificeert de uitvraag als een ongeoorloofde 'fishing expedition'. De zaak draait om de spanning tussen de informatieverplichting uit de AWR en beginselen van dataminimalisatie en subsidiariteit.

Beslissing van de rechter

De voorzieningenrechter wijst de vordering van de Belastingdienst toe en veroordeelt gedaagde om binnen vier weken volledig mee te werken aan de gegevensverstrekking voor 2019-2025 op grond van artikelen 47, 49 en 53 AWR. Doorslaggevend is dat de Belastingdienst voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat tijdsverloop de mogelijkheid om belastingaanslagen op te leggen, na te vorderen of na te heffen in gevaar brengt vanwege vervaltermijnen.

38van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak is een feitelijke toepassing van bestaande AWR-bevoegdheden in kort geding en stelt geen nieuwe rechtsregels, maar is relevant voor de praktijk rond informatievorderingen bij loyaliteitsprogramma's en de verhouding AWR versus AVG.

Belangrijkste punten

  • 1Spoedeisend belang erkend: dreigende vervaltermijnen voor navorderings- en naheffingsbevoegdheid over 2019-2020 rechtvaardigen kort geding.
  • 2Gedaagde veroordeeld tot volledige medewerking aan informatieverstrekking op grond van AWR artikelen 47, 49 en 53.
  • 3Verweer 'fishing expedition' verworpen: de vordering ziet op concrete, afgebakende gegevens per jaar over een loyaliteits- of spaarprogramma.
  • 4Proceskosten inclusief nakosten en wettelijke rente toegewezen ten laste van gedaagde (totaal € 2.845,02).
  • 5Dataminimalisatie en subsidiariteit erkend als relevante beginselen, maar prevaleren niet over de wettelijke informatieverplichting van de AWR.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat de informatieverplichting ex artikelen 47, 49 en 53 AWR in beginsel prevaleert boven AVG-beginselen zoals dataminimalisatie en subsidiariteit, en dat dreigende vervaltermijnen spoedeisend belang in kort geding kunnen opleveren. Dit versterkt de positie van de Belastingdienst bij het afdwingen van derdeninformatieverplichtingen via de civiele rechter.

Praktische impact

Bedrijven die loyaliteitsprogramma's of spaarsystemen aanbieden aan leden of klanten moeten er rekening mee houden dat de Belastingdienst via de rechter volledige ledenadministratie en tegoedinformatie kan opeisen, ook met terugwerkende kracht over meerdere jaren.

Onderwerp-impact

Voor aanbieders van loyalty- en spaarprogramma's (retail, financiële dienstverlening) betekent deze uitspraak dat weigering van fiscale informatieverzoeken op privacygronden in kort geding weinig kans van slagen heeft wanneer concrete belastingbelangen en vervaltermijnen in het geding zijn.

Samenvatting

In deze kort gedingprocedure vordert de Belastingdienst nakoming van de informatieverplichtingen op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) door een bedrijf dat vermoedelijk een business club of loyaliteitsprogramma met shoptegoed exploiteert. De Belastingdienst heeft voor de jaren 2019 tot en met 2025 een reeks gegevens gevraagd over leden en hun bestedingen, maar gedaagde weigert medewerking en stelt dat de uitvraag te breed is en een ongeoorloofde 'fishing expedition' vormt. Daarnaast beroept gedaagde zich op AVG-beginselen zoals dataminimalisatie en subsidiariteit. De centrale rechtsvraag is of de Belastingdienst in kort geding nakoming van de informatieverplichting kan afdwingen en of sprake is van voldoende spoedeisend belang. Gedaagde betwist het spoedeisend karakter en wijst op het feit dat er ruim anderhalf jaar is verstreken tussen aankondiging van het onderzoek en dagvaarding, en dat langdurig overleg heeft plaatsgevonden. De voorzieningenrechter verwerpt het verweer en oordeelt dat het spoedeisend belang voldoende aannemelijk is gemaakt. Doordat de navorderings- en naheffingstermijnen voor met name de jaren 2019 en 2020 in veel gevallen reeds zijn verstreken of dreigen te verstrijken, is tijdig beschikken over de gevraagde gegevens urgent. Het tijdsverloop in de aanloop naar de procedure doet hier niet aan af, omdat zorgvuldig onderzoek nu eenmaal tijd kost. De vordering wordt toegewezen: gedaagde moet binnen vier weken volledig en onvoorwaardelijk meewerken aan de verstrekking van de gevraagde informatie voor de jaren 2019 tot en met 2025. Gedaagde wordt tevens veroordeeld in de proceskosten van in totaal € 2.845,02, vermeerderd met wettelijke rente. De uitspraak onderstreept dat de wettelijke informatieverplichting uit de AWR in beginsel niet opzij kan worden gezet door een beroep op AVG-beginselen wanneer concrete fiscale belangen en vervaltermijnen in het geding zijn.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 2 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Privacyrecht / AVG

ECLI:NL:RVS:2026:5327Laag
Bestuursrecht
Privacyrecht / AVG

ECLI:NL:RVS:2026:5327, Raad van State, 09-09-2026, 202201628/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidHandhaving
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5338Laag
Bestuursrecht
Privacyrecht / AVG

ECLI:NL:RVS:2026:5338, Raad van State, 09-09-2026, 202502160/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidHandhaving
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5362Laag
Bestuursrecht
Privacyrecht / AVG

ECLI:NL:RVS:2026:5362, Raad van State, 09-09-2026, 202502830/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidDatabescherming
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5343Laag
Bestuursrecht
Privacyrecht / AVG

ECLI:NL:RVS:2026:5343, Raad van State, 09-09-2026, 202404419/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidHandhaving
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied