Asielaanvraag Soedanees niet behandeld: Spanje verantwoordelijk
ECLI:NL:RBDHA:2026:27755, Rechtbank Den Haag, 08-09-2026, NL26.29033 en NL26.29034
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)met onbekende bestemming vertrokken, interstatelijk vertrouwensbeginsel, art. 3 EVRM
Kern van de zaak
Een Soedanese asielzoeker (geboren 2008) diende een asielaanvraag in bij Nederland. Verweerder (IND) nam de aanvraag niet in behandeling omdat Spanje op grond van de Dublin-verordening verantwoordelijk werd geacht. De eiser stelde dat het besluit onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig was.
Beslissing van de rechter
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en het verzoek tot voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk ongegrond is, zonder nadere zitting, omdat Spanje terecht als verantwoordelijke lidstaat is aangemerkt.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een routinematige toepassing van vaste rechtspraak over Dublin-overdrachten en procesbelang bij MOB-meldingen, zonder nieuwe rechtsvragen of richtinggevende overwegingen.
Belangrijkste punten
- 1Verweerder nam de asielaanvraag niet in behandeling op grond van de Dublin-verordening: Spanje is verantwoordelijk.
- 2Eiser vertrok met onbekende bestemming (MOB-melding), maar procesbelang bleef bestaan omdat zijn gemachtigde na de MOB-melding nog contact had met hem.
- 3De rechtbank behandelt het beroep zonder zitting als kennelijk ongegrond.
- 4Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard.
- 5Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt vaste Afdelingsjurisprudentie dat een MOB-melding procesbelang in beginsel doet vervallen, tenzij de gemachtigde na de melding nog contact heeft met de vreemdeling. De Dublin-overdracht aan Spanje wordt in stand gelaten.
Praktische impact
De Soedanese asielzoeker kan zijn aanvraag niet in Nederland laten behandelen en dient zich voor bescherming tot Spanje te wenden. Er is geen proceskostenvergoeding toegekend.
Onderwerp-impact
De uitspraak heeft beperkte impact op de asielpraktijk, maar bevestigt de toepassing van de Dublin-verordening en de procesbelangtoets bij MOB-meldingen in vreemdelingenzaken.
Samenvatting
In deze zaak verzocht een Soedanese asielzoeker, gesteld geboren in 2008, om internationale bescherming in Nederland. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) nam de aanvraag echter niet in behandeling, omdat op grond van de Dublin-verordening Spanje als verantwoordelijke lidstaat was aangemerkt. Eiser stelde dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was en in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Voor de inhoudelijke beoordeling stelde de rechtbank zich eerst de vraag of eiser nog procesbelang had. Op 3 juni 2026 had verweerder gemeld dat eiser op 26 mei 2026 met onbekende bestemming was vertrokken (MOB-melding). Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vervalt het procesbelang in beginsel wanneer een vreemdeling zonder opgave van verblijfplaats vertrekt. Een uitzondering geldt als de gemachtigde na de MOB-melding nog contact heeft onderhouden met de vreemdeling. Omdat eisers gemachtigde op 1 juli 2026 bevestigde dat dit contact had plaatsgevonden, erkende de rechtbank het procesbelang. Inhoudelijk verklaarde de rechtbank het beroep kennelijk ongegrond, zonder partijen uit te nodigen voor een zitting. De Dublin-overdracht aan Spanje bleef in stand. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard. Een proceskostenvergoeding werd niet toegekend. De uitspraak is een routinematige bevestiging van bestaande jurisprudentie over de Dublin-verordening en de procesbelangtoets bij MOB-meldingen, en heeft geen materieel nieuwe juridische betekenis. De praktische consequentie is dat de asielzoeker zijn beschermingsverzoek in Spanje dient voort te zetten.