Verblijfsrecht EU-burger vernietigd wegens onvoldoende bestaansmiddelen
ECLI:NL:RBDHA:2026:27044, Rechtbank Den Haag, 15-09-2026, NL25.5798 en NL25.5800
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Deze uitspraak gaat over de beëindiging van het verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan van eiseres. De rechtbank oordeelt dat de minister heeft mogen vaststellen dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft als gemeenschapsonderdaan. Geen voldoende middelen van bestaan aangetoond. De belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM privéleven heeft de minister onvoldoende gemotiveerd. Beroep gegrond.
Kern van de zaak
Een Bulgaarse vrouw, ingeschreven in Nederland sinds 2011, ontving van augustus 2023 tot januari 2025 een Participatiewet-uitkering. De minister concludeerde daarop dat haar verblijfsrecht als EU-gemeenschapsonderdaan was geëindigd en nam een verwijderingsbesluit. Eiseres bestreed dit en stelde voldoende bestaansmiddelen te hebben gehad en rechtmatig verblijf te genieten.
Beslissing van de rechter
Het beroep is gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd: de minister moet binnen acht weken een nieuw besluit nemen. De rechtbank oordeelde dat het besluit van de minister ondeugdelijk was gemotiveerd of onzorgvuldig tot stand gekomen, hoewel het voorlopige verzoek (kort geding) werd afgewezen.
Impactscore
MiddelHet betreft een individuele vreemdelingenzaak op rechtbankniveau met beperkte precedentwerking, maar de uitkomst is relevant voor de praktijk van verblijfsrechtelijke handhaving bij EU-burgers die gebruikmaken van sociale bijstand.
Belangrijkste punten
- 1Eiseres is Bulgaars EU-onderdaan, ingeschreven in de BRP sinds 2011, en stelt al vanaf 2002 in Nederland te wonen.
- 2De minister stelde vast dat verblijfsrecht als economisch actieve noch als economisch niet-actieve gemeenschapsonderdaan bestond, en dat geen duurzaam verblijfsrecht (vijf jaar onafgebroken) was opgebouwd.
- 3De belangenafweging inzake verwijdering en artikel 8 EVRM (gezinsleven met zoon, schoondochter en kleinkinderen) viel in het nadeel van eiseres uit in het bestreden besluit.
- 4De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit, wat betekent dat de minister een nieuw, deugdelijk gemotiveerd besluit moet nemen.
- 5Het verzoek om een voorlopige voorziening (schorsing) wordt afgewezen; de minister wordt veroordeeld tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat besluiten over het verblijfsrecht van EU-onderdanen zorgvuldig moeten worden gemotiveerd, ook wanneer betrokkene een beroep doet op een socialezekerheidsuitkering. Het enkele ontvangen van een Participatiewet-uitkering volstaat niet zonder meer als grondslag voor een verwijderingsbesluit.
Praktische impact
Eiseres behoudt vooralsnog haar verblijf in Nederland in afwachting van het nieuwe besluit, maar geniet geen schorsende werking door de afwijzing van de voorlopige voorziening. De minister dient de verblijfsrechtelijke situatie opnieuw en grondiger te beoordelen.
Onderwerp-impact
Voor EU-burgers (in het bijzonder uit Bulgarije en Roemenië) die een bijstandsuitkering ontvangen en te maken krijgen met verblijfsrechtelijke handhaving, onderstreept deze uitspraak het belang van een individuele en volledige toetsing van hun verblijfsstatus en familiebanden.
Samenvatting
In deze zaak stond de verblijfsrechtelijke positie centraal van een Bulgaarse vrouw die al geruime tijd in Nederland woont, bij haar zoon en diens gezin inwoont en medische klachten heeft. Naar aanleiding van haar ontvangst van een Participatiewet-uitkering (augustus 2023 – januari 2025) startte de minister een onderzoek en concludeerde dat haar verblijfsrecht als EU-gemeenschapsonderdaan was geëindigd. De minister stelde dat eiseres noch als economisch actieve, noch als economisch niet-actieve gemeenschapsonderdaan kon worden aangemerkt, en dat zij geen duurzaam verblijfsrecht had opgebouwd omdat niet was aangetoond dat zij vijf jaar onafgebroken als niet-economisch actieve persoon in Nederland had verbleven. Ook de belangenafweging in het kader van verwijdering en artikel 8 EVRM (recht op gezinsleven) viel in het nadeel van eiseres uit. Eiseres betwistte dit en voerde aan dat zij met eigen inkomsten in haar onderhoud had voorzien en pas laat een beroep op bijstand had gedaan. De Rechtbank Den Haag heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De minister is opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Het verzoek om een voorlopige voorziening – waarmee eiseres vermoedelijk schorsing van de verwijderingsmaatregel beoogde – is afgewezen. De minister is veroordeeld tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten. De uitspraak laat zien dat de rechter de motivering of de zorgvuldigheid van de ministeriële besluitvorming onvoldoende achtte, zonder dat het verwijderingsbesluit op inhoudelijke gronden definitief van tafel gaat. Voor EU-burgers in vergelijkbare situaties benadrukt dit de noodzaak van een individuele en volledige toetsing door de minister.