Minister verplicht binnen twee weken te beslissen op nareisaanvraag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26809, Rechtbank Den Haag, 11-09-2026, NL26.30481
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Opvolgend beroep niet tijdig, nareis, vrijstelling griffierecht, beroep ontvankelijk en gegrond, verzoek tot aanhouding vanwege mogelijke richtinggevende uitspraak over strengere nareisregels, verzoek afgewezen, nadere beslistermijn van 2 weken
Kern van de zaak
Een vreemdeling had een nareisaanvraag ingediend bij de minister. Na een eerdere rechterlijke uitspraak van 29 oktober 2025 met een uitdrukkelijke beslistermijn had de minister nog steeds geen besluit genomen. Eiser stapte opnieuw naar de rechter wegens het niet tijdig beslissen.
Beslissing van de rechter
Het beroep is gegrond verklaard: de rechtbank oordeelt dat het uitblijven van een besluit onrechtmatig is en legt de minister een beslistermijn van twee weken op, versterkt met een dwangsom van €50 per dag (max. €15.000). Het verzoek tot aanhouding in afwachting van een richtinggevende ABRvS-uitspraak wordt afgewezen, omdat aanhouding voor onbepaalde tijd niet past bij de aard van een niet-tijdig-beslissen-beroep.
Impactscore
LaagHet betreft een toepassing van vaste rechtspraak over niet tijdig beslissen en dwangsommen in een individuele vreemdelingenzaak; er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld en de impact blijft beperkt tot de directe partijen.
Belangrijkste punten
- 1Ingebrekestelling niet vereist omdat de rechter in een eerdere uitspraak al een uitdrukkelijke en verstreken beslistermijn had gesteld
- 2Minister stelde nareisaanvraag niet in behandeling in afwachting van nieuwe regels en een richtinggevende ABRvS-uitspraak
- 3Rechtbank wijst aanhouding van het beroep af wegens onbepaalde duur en de aard van het niet-tijdig-beslissen-beroep
- 4Beslistermijn van twee weken opgelegd; verzoek om twintig weken afgewezen
- 5Dwangsom van €50 per dag met maximum van €15.000 bij overschrijding termijn
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een eerder door de rechter gestelde beslistermijn de ingebrekestellingsvereiste vervangt en dat aanhouding van een niet-tijdig-beslissen-beroep voor onbepaalde tijd niet is toegestaan, ook niet bij lopende beleidswijzigingen of afwachting van hogere rechtspraak.
Praktische impact
De minister is gehouden binnen twee weken alsnog een besluit te nemen op de nareisaanvraag, op straffe van een dwangsom. Eiser ontvangt bovendien €467 aan proceskostenvergoeding.
Onderwerp-impact
In het vreemdelingenrecht onderstreept deze uitspraak dat nareizigers recht hebben op een tijdige beslissing, ook wanneer de overheid nieuwe beleidskaders of hogere rechtspraak afwacht.
Samenvatting
In deze zaak had een vreemdeling een nareisaanvraag ingediend bij de minister. De rechtbank Den Haag had eerder, op 29 oktober 2025, in een eerdere procedure een uitdrukkelijke termijn gesteld voor het nemen van een beslissing op die aanvraag. Ondanks het verstrijken van die termijn had de minister geen besluit genomen. De minister beriep zich daarvoor op lopende beleidswijzigingen rondom nareisaanvragen en een verwachte richtinggevende uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Als pilot waren slechts een beperkt aantal nareisaanvragen beoordeeld onder nieuwe regels; overige aanvragen, waaronder die van eiser, werden vooralsnog niet in behandeling genomen. De minister verzocht de rechtbank primair het beroep aan te houden in afwachting van de ABRvS-uitspraak, subsidiair een nadere beslistermijn van twintig weken op te leggen die pas zou ingaan na die uitspraak. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Zij stelt vast dat geen ingebrekestelling was vereist, omdat de rechter in de eerdere uitspraak al een uitdrukkelijke en inmiddels verstreken beslistermijn had gesteld. Het niet tijdig nemen van een besluit wordt gelijkgesteld aan een besluit en vernietigd. De rechtbank wijst het verzoek tot aanhouding af: de aard van een niet-tijdig-beslissen-beroep verzet zich tegen aanhouding voor onbepaalde tijd, temeer nu onbekend is wanneer de ABRvS de bedoelde uitspraak zal doen. Ook de subsidiair verzochte termijn van twintig weken wordt afgewezen; de rechtbank legt de standaardtermijn van twee weken op. Bij overschrijding van die termijn verbeurt de minister een dwangsom van €50 per dag, met een maximum van €15.000. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van €467 aan proceskosten. De uitspraak bevestigt het belang van effectieve rechtsbescherming bij trage besluitvorming in vreemdelingenzaken.