Beroep gegrond: minister moet nieuw besluit nemen over asielaanvraag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26246, Rechtbank Den Haag, 10-09-2026, NL26.46284
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Beroep tegen niet-ontvankelijk verklaren van de asielaanvraag. Het beroep is gegrond. De minister moet opnieuw op de aanvraag beslissen. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat hij als statushouder bij terugkeer naar Griekenland terecht zal komen in een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
Kern van de zaak
Een volwassen alleenstaande man, statushouder in Griekenland, diende in Nederland een asielaanvraag in. De minister verklaarde deze niet-ontvankelijk omdat eiser internationale bescherming heeft in Griekenland en als zelfredzaam wordt beschouwd. Eiser ging in beroep tegen dit besluit.
Beslissing van de rechter
De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van de minister. De minister moet binnen tien weken een nieuw besluit nemen op de aanvraag, met veroordeling tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele vreemdelingenzaak op rechtbankniveau zonder aanwijsbare precedentwerking; de motivering van de vernietiging is bovendien niet volledig kenbaar uit de beschikbare tekst.
Belangrijkste punten
- 1Eiser heeft internationale bescherming verkregen in Griekenland op 15 april 2026, bevestigd via Eurodac en eigen verblijfsdocument
- 2Minister achtte aanvraag niet-ontvankelijk wegens zelfredzaamheid: volwassen, alleenstaande, niet-kwetsbare man
- 3Minister stelde dat terugkeer naar Griekenland niet leidt tot zeer verregaande materiële deprivatie
- 4Rechtbank vernietigt het bestreden besluit, zonder uit de beschikbare tekst duidelijk op welke grond
- 5Minister opgedragen binnen tien weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak corrigeert de niet-ontvankelijkverklaring van de minister en verplicht tot heroverweging, wat relevant is voor de toepassing van de zelfredzaamheidsdoctrine bij statushouders uit EU-lidstaten. De precieze rechtsgrond voor vernietiging is op basis van de beschikbare tekst niet volledig reconstrueerbaar.
Praktische impact
Eiser krijgt een herbeoordeling van zijn asielaanvraag in Nederland en ontvangt € 1.868,- aan proceskosten vergoed. De minister moet binnen tien weken opnieuw beslissen.
Onderwerp-impact
De zaak raakt de behandeling van asielaanvragen van statushouders uit andere EU-lidstaten en de grenzen van de zelfredzaamheidsbeoordeling bij terugkeer naar Griekenland.
Samenvatting
In deze zaak bij de Rechtbank Den Haag stond centraal of de Nederlandse minister van Justitie en Veiligheid de asielaanvraag van een volwassen alleenstaande man terecht niet-ontvankelijk had verklaard. De man is statushouder in Griekenland, waar hem op 15 april 2026 internationale bescherming is verleend. Dit bleek uit Eurodac-gegevens en werd door eiser zelf bevestigd, inclusief overlegging van zijn Griekse verblijfsdocument. De minister nam het standpunt in dat eiser als zelfredzaam moet worden beschouwd: hij is niet kwetsbaar, kan bij terugkeer naar Griekenland in zijn basisbehoeften voorzien en zal niet terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie. Bovendien had eiser naar het oordeel van de minister onvoldoende onderbouwd dat de Griekse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen, mede omdat hij dit nooit heeft geprobeerd. De rechtelijke beoordeling leidde echter tot een ander oordeel: de rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De precieze gronden voor vernietiging zijn op basis van de beschikbare tekst niet volledig reconstrueerbaar, omdat de relevante overwegingen van de rechtbank ontbreken in het gepubliceerde fragment. De minister is opgedragen binnen tien weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Daarnaast is de minister veroordeeld tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. De zaak illustreert de spanning tussen het EU-rechtelijke uitgangspunt dat statushouders in een andere lidstaat bescherming kunnen genieten en de individuele beoordeling van de feitelijke omstandigheden bij terugkeer. De uitkomst heeft primair betekenis voor de betrokken partijen en heeft beperkte bredere precedentwaarde.