Beroep gegrond maar rechtsgevolgen terugkeerbesluit blijven in stand
ECLI:NL:RBDHA:2026:25249, Rechtbank Den Haag, 07-08-2026, NL24.46452
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Vreemdelingenrecht. Afwijzing aanvragen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel 'privéleven'. Geen mvv en geen vrijstelling van mvv-vereiste. Verweerder heeft ten onrechte geen (geactualiseerde) refoulementsbeoordeling gemaakt ten aanzien van terugkeerbesluiten. Gebrek hersteld. Geen strijd met artikel 3 van het EVRM. Beroep gegrond, maar rechtsgevolgen blijven in stand.
Kern van de zaak
Een gezin met twee minderjarige kinderen (eisers) verzocht een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 EVRM (privéleven). Verweerder (de IND) wees de aanvragen af wegens ontbrekende mvv en ongunstige belangenafweging. Eisers betoogden ook dat er ten onrechte geen refoulementbeoordeling was gemaakt bij de terugkeerbesluiten.
Beslissing van de rechter
Het beroep is gegrond verklaard omdat verweerder ten onrechte geen refoulementbeoordeling had gemaakt, maar de rechtsgevolgen van het bestreden besluit blijven in stand. De rechtbank oordeelt dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM niet ten onrechte in het nadeel van eisers is uitgevallen en dat uitzetting niet in strijd is met artikel 3 EVRM, nu het gebrek in beroep is hersteld.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele vreemdelingenzaak op rechtbankniveau zonder principiële nieuwe rechtsregel; de uitkomst past binnen bestaande jurisprudentie en de hersteltechniek van gebreken in beroep is niet nieuw.
Belangrijkste punten
- 1Verweerder had ten onrechte geen geactualiseerde refoulementbeoordeling gemaakt bij de terugkeerbesluiten, maar dit gebrek is tijdens de beroepsprocedure hersteld.
- 2De belangenafweging artikel 8 EVRM (privéleven) valt in het nadeel van eisers uit; de uitzetting is niet in strijd met artikel 8 EVRM.
- 3Eisers beschikken niet over een mvv en komen niet in aanmerking voor een mvv-vrijstelling.
- 4Minderjarige kinderen (eiser II en eiseres II) hebben geen invloed gehad op de keuze om zich in Nederland te vestigen; eisers beroepen zich op het IVRK en recente Afdelingsrechtspraak (1 juli 2026) over zwaarwegend belang van opgebouwde banden.
- 5Beroep gegrond, bestreden besluit vernietigd, maar rechtsgevolgen blijven in stand: feitelijk geen verblijfsrecht.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak illustreert de toepassing van de herstelmogelijkheid van gebreken in beroep bij ontbrekende refoulementbeoordelingen, en sluit aan bij de recente Afdelingsrechtspraak over de positie van minderjarige kinderen bij artikel 8 EVRM-afwegingen in vreemdelingenzaken.
Praktische impact
Voor eisers betekent de uitspraak dat zij ondanks de formele gegrondverklaring van hun beroep geen verblijfsrecht verkrijgen en worden geconfronteerd met een onherroepelijk terugkeerbesluit. De minderjarige kinderen ondervinden de gevolgen van de beslissingen van hun ouders.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken waarbij minderjarige kinderen zijn betrokken, benadrukt deze uitspraak dat opgebouwde banden en verblijfsduur zwaarwegend worden meegewogen, maar dat dit niet automatisch leidt tot verlening van een verblijfsvergunning.
Samenvatting
In deze zaak bij de Rechtbank Den Haag stonden aanvragen centraal van een gezin – bestaande uit twee ouders en twee minderjarige kinderen – voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van privéleven (artikel 8 EVRM). De IND (verweerder) had de aanvragen afgewezen, omdat eisers niet beschikten over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet in aanmerking kwamen voor een vrijstelling daarvan. Hoewel verweerder privéleven erkende, liet hij de verplichte belangenafweging in het nadeel van eisers uitvallen. Eisers bestreden dit oordeel en stelden bovendien dat verweerder bij de terugkeerbesluiten ten onrechte had nagelaten een geactualiseerde refoulementbeoordeling te maken op grond van artikel 3 EVRM. De rechtbank stelt vast dat verweerder inderdaad ten onrechte geen refoulementbeoordeling heeft gemaakt, hetgeen een formeel gebrek oplevert. Dit gebrek is echter in de beroepsprocedure hersteld: verweerder heeft alsnog beoordeeld dat uitzetting niet in strijd is met artikel 3 EVRM. De rechtbank volgt dit oordeel. Ten aanzien van artikel 8 EVRM oordeelt de rechtbank dat de door verweerder gemaakte belangenafweging niet onrechtmatig is, ook al hebben de minderjarige kinderen banden opgebouwd in Nederland en hebben zij geen eigen verantwoordelijkheid gedragen voor de keuze van hun ouders om zich hier te vestigen. Eisers beriepen zich daartoe op het IVRK en op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 1 juli 2026, waarin aan opgebouwde banden en verblijfsduur van kinderen zwaar gewicht moet worden toegekend. De rechtbank erkent dit kader maar oordeelt dat de belangenafweging desondanks in het nadeel van eisers kon uitvallen. Het beroep is gegrond verklaard vanwege het ontbrekende refoulementsgebrek, en het bestreden besluit wordt vernietigd. Omdat het gebrek in beroep is hersteld en de materiële uitkomst ongewijzigd blijft, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Eisers verkrijgen daarmee geen verblijfsrecht en het terugkeerbesluit blijft van kracht.