Iraakse asielzoeker niet-ontvankelijk wegens dubbel beroep
ECLI:NL:RBDHA:2026:22097, Rechtbank Den Haag, 03-08-2026, NL26.11339 (beroep), NL26.24188 (beroep) en NL26.24189 (voorlopige voorziening)
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Eiser komt uit Irak. Hij heeft om asiel gevraagd. Hij heeft verklaard dat hij niet terug kan naar Irak omdat hij atheïstisch is geworden. Ook heeft hij problemen in Irak vanwege de aanranding van zijn zus. Dat is ook een reden waarom hij niet terug kan. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen. Verweerder vindt de identiteit, herkomst en nationaliteit van eiser geloofwaardig, maar zijn atheïsme en de problemen van eiser wegens de aanranding van zijn zus vindt verweerder ongeloofwaardig. Het geloofwaardige asielmotief leidt volgens verweerder niet tot Vluchtelingschap of een reëel (echt) risico op ernstige schade bij terugkeer naar Algerije. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij heeft daarvoor een aantal argumenten gegeven. Dit zijn de beroepsgronden. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. De rechtbank oordeelt dat verweerder het atheïsme van eiser terecht ongeloofwaardig heeft gevonden. De rechtbank komt niet toe aan een oordeel over de problemen van eiser vanwege de aanranding van zijn zus, omdat eiser geen gronden heeft aangevoerd tegen het standpunt van verweerder dat de problemen ongeloofwaardig zijn. Tot slot is de oplegging van het inreisverbod niet in strijd met artikel 8 van het EVRM . Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij een relatie heeft op grond waarvan er sprake is van beschermenswaardig familieleven. Daarom is het beroep van eiser ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
Kern van de zaak
Een Iraakse asielzoeker (geboren 2002) diende meerdere beroepen in bij de rechtbank: één wegens niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag en één inhoudelijk beroep. Hij stelde in zijn eerdere asielprocedure een gefabriceerd verhaal te hebben verteld en beriep zich nu op bedreigingen door zijn oom en de militie Hashd al-Shaabi.
Beslissing van de rechter
De rechtbank verklaart het beroep met zaaknummer NL26.24188 niet-ontvankelijk omdat dit ten overvloede is ingediend naast het eerder ingediende beroep NL26.11339. Tevens wordt het beroep tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard, omdat verweerder alsnog een inhoudelijk besluit heeft genomen waardoor eiser geen belang meer heeft bij dat deel van de procedure.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een procesrechtelijke niet-ontvankelijkverklaring op basis van een vaste en eenduidige toepassing van artikel 6:20 lid 3 Awb; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord en de inhoudelijke asielbeoordeling is nog niet afgerond.
Belangrijkste punten
- 1Op grond van artikel 6:20 lid 3 Awb omvat het beroep tegen niet-tijdig beslissen van rechtswege het alsnog genomen besluit, mits dit niet volledig tegemoetkomt aan het beroep.
- 2Het afzonderlijk ingediende inhoudelijke beroep (NL26.24188) is niet-ontvankelijk omdat eiser daarmee niets meer of anders kan bereiken dan met NL26.11339.
- 3Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen vervalt wegens gebrek aan procesbelang nu verweerder alsnog een besluit heeft genomen.
- 4De gronden ingediend in NL26.24188 worden van rechtswege geacht te zijn ingediend in NL26.11339.
- 5Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting; er is geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van artikel 6:20 lid 3 Awb in het vreemdelingenrecht: een afzonderlijk beroep tegen een inhoudelijk besluit is overbodig als reeds beroep loopt tegen het niet-tijdig beslissen over dezelfde aanvraag. Dit voorkomt parallelle procedures met identiek procesbelang.
Praktische impact
Voor de asielzoeker betekent dit dat zijn inhoudelijke beroepsgronden worden meegenomen in de lopende zaak NL26.11339, maar dat de administratief-technische dubbele beroepsindiening hem geen extra voordeel oplevert. De inhoudelijke beoordeling van zijn asielrelaas staat nog open.
Onderwerp-impact
In asielzaken leidt het niet-tijdig beslissen door de IND regelmatig tot beroepen die later samenlopen met inhoudelijke beroepen; deze uitspraak illustreert hoe de rechter procedurele doublures afwikkelt zonder de inhoudelijke behandeling te blokkeren.
Samenvatting
Een Iraakse asielzoeker, geboren in 2002, had in een eerdere asielprocedure naar eigen zeggen een gefabriceerd verhaal verteld. In een nieuwe asielaanvraag stelde hij te worden bedreigd door zijn oom en de sjiitische militie Hashd al-Shaabi vanwege een familieconflict rondom zijn tante en zus. Nadat de IND niet tijdig besliste op deze aanvraag, diende hij een beroep in wegens niet-tijdig beslissen (NL26.11339). Vervolgens nam de IND alsnog een inhoudelijk besluit, waarna eiser ook daartegen apart beroep instelde (NL26.24188) en een voorlopige voorziening vroeg (NL26.24189). De rechtbank Den Haag stelt vast dat op grond van artikel 6:20 lid 3 Awb het beroep tegen het niet-tijdig beslissen van rechtswege mede betrekking heeft op het later alsnog genomen besluit, nu dat besluit niet volledig aan het beroep tegemoet komt. Het afzonderlijk ingediende beroep NL26.24188 is daarmee overbodig: eiser kan daarmee niets meer of anders bereiken dan met het reeds lopende NL26.11339. Dit beroep wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard. De gronden die in dat dossier zijn ingediend, worden geacht te zijn ingediend in de zaak NL26.11339. Daarnaast heeft eiser geen procesbelang meer bij beoordeling van het beroep tegen het niet-tijdig beslissen, nu de IND inmiddels wel een besluit heeft genomen; ook dat onderdeel wordt niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas van eiser in zaak NL26.11339 staat daarmee nog open. De uitspraak heeft een beperkte impact: zij past bestaand procesrecht toe op een veelvoorkomende situatie in het vreemdelingenrecht, zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden.