Beroep vreemdeling tegen terugkeerbesluit en inreisverbod ongegrond
ECLI:NL:RBDHA:2026:21683, Rechtbank Den Haag, 03-08-2026, NL26.40789 NL26.40831
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Beroepen ongegrond. Beroep tegen tkb/irv – rechtmatig verblijf Spanje – non-refoulement – art. 8 EVRM – inreisverbod en overlegprocedure. Beroep mvb – art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw – grondslag ophouding – gronden – lichter middel – zicht op uitzetting.
Kern van de zaak
Een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in Nederland heeft beroep ingesteld tegen een terugkeerbesluit en een inreisverbod uitgevaardigd door de minister. De vreemdeling verzocht tevens om schadevergoeding. De zaak werd behandeld door Rechtbank Den Haag.
Beslissing van de rechter
De rechtbank verklaart beide beroepen ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De doorslaggevende reden is dat de wettelijke grondslag voor het terugkeerbesluit en het inreisverbod (artikelen 61, 62 en 66a Vw) correct is toegepast op de vreemdeling die niet langer rechtmatig verblijf heeft en onmiddellijk dient te vertrekken.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een standaard individuele vreemdelingenzaak zonder nieuwe rechtsvragen of richtinggevende overwegingen; de rechter past bestaande wet- en regelgeving toe zonder bijzondere nuances.
Belangrijkste punten
- 1Vreemdeling zonder rechtmatig verblijf is op grond van art. 61 Vw verplicht Nederland te verlaten binnen de wettelijke termijn van vier weken na terugkeerbesluit (art. 62 lid 1 Vw).
- 2Op grond van art. 62 lid 2 Vw kan de minister de vertrektermijn verkorten, wat in casu is toegepast.
- 3Inreisverbod is uitgevaardigd op grond van art. 66a lid 1 sub a Vw voor een bepaalde duur van maximaal vijf jaar, te rekenen vanaf daadwerkelijk vertrek.
- 4Beroepen tegen zowel het terugkeerbesluit (bestreden besluit 1) als het inreisverbod worden ongegrond verklaard.
- 5Verzoek om schadevergoeding is afgewezen; proceskosten worden niet vergoed.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de standaardtoepassing van de wettelijke terugkeer- en inreisverbodbepalingen uit de Vreemdelingenwet 2000 in een individueel geval, zonder nieuwe rechtsvragen te stellen. De uitspraak is vatbaar voor hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week.
Praktische impact
De vreemdeling dient Nederland te verlaten en is onderworpen aan een inreisverbod van maximaal vijf jaar; hij ontvangt geen schadevergoeding en geen vergoeding van proceskosten.
Onderwerp-impact
Deze uitspraak heeft beperkte bredere impact voor het vreemdelingenbeleid en betreft een routinematige toepassing van de terugkeerprocedure op een individuele zaak.
Samenvatting
In deze zaak heeft Rechtbank Den Haag op 3 augustus 2026 uitspraak gedaan in twee samenhangende beroepen van een vreemdeling (zonder rechtmatig verblijf in Nederland) tegen besluiten van de minister van Justitie en Veiligheid. Het betrof een terugkeerbesluit met verkorte vertrektermijn en een inreisverbod. De vreemdeling heeft via zijn gemachtigde, bijgestaan door een tolk, beroep ingesteld en tevens schadevergoeding gevorderd. De rechtbank beoordeelde het terugkeerbesluit aan de hand van artikel 61 en 62 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Op grond van artikel 61 lid 1 Vw is een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf verplicht Nederland uit eigen beweging te verlaten. Na uitvaardiging van een terugkeerbesluit geldt ingevolge artikel 62 lid 1 Vw een vertrektermijn van vier weken, die op grond van artikel 62 lid 2 Vw door de minister kan worden verkort. Het inreisverbod is gebaseerd op artikel 66a lid 1 sub a Vw, welke bepaling verplicht tot uitvaardiging van een inreisverbod indien de vreemdeling onmiddellijk dient te vertrekken, voor een duur van maximaal vijf jaar gerekend vanaf het daadwerkelijke vertrek. De rechtbank oordeelt dat de minister de toepasselijke bepalingen correct heeft gehanteerd en verklaart beide beroepen ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen, en de vreemdeling krijgt zijn proceskosten niet vergoed. De uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins en staat open voor hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, in te dienen binnen één week na bekendmaking. De zaak is illustratief voor de standaardprocedure bij terugkeer van vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf en heeft geen richtinggevend karakter.