JurispRadar
ECLI:NL:RBDHA:2026:21403Laag5/100

ECLI:NL:RBDHA:2026:21403, Rechtbank Den Haag, 31-07-2026, 26.17344

Rechtbank Den HaagUitspraak: 31 juli 2026Publicatie: 31 juli 2026
Procedure:Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer:26.17344

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Op dit moment is het niet relevant om ambtshalve te beoordelen of de in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen aan de aanzegging op grond van artikel 6, lid 2, van de Terugkeerrichtlijn in de weg staan. Immers, deze beoordeling moet slechts plaatsvinden als de Terugkeerrichtlijn van toepassing is en artikel 2 van de Terugkeerrichtlijn beperkt de werkingssfeer van de Terugkeerrichtlijn tot op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen. Nu eiser is geregistreerd als ‘met onbekende bestemming’ vertrokken, is op dit moment onbekend of hij nog op het grondgebied van de lidstaat Nederland verblijft. Zolang onduidelijk is of eiser op het grondgebied van lidstaat Nederland verblijft, is dan ook geen controle op bescherming tegen non-refoulement nodig. In het geval van weer opduiken op het grondgebied van lidstaat Nederland ligt dat wel anders, maar dat is op dit moment slecht hypothetisch. Het is namelijk een onzekere toekomstige gebeurtenis of eiser ooit weer zal opduiken in Nederland. Daarmee blijft dus staan dat er geen procesbelang is zolang hierover onduidelijkheid bestaat vanwege het geen contact meer hebben met de gemachtigde over de procedure, de verblijfplaats op het grondgebied van lidstaat Nederland en er geen relevante feiten en omstandigheden zijn die maken dat sprake is van procesbelang. Dat de minister niet kan registreren of en zo ja, wanneer eiser niet langer op het grondgebied van Nederland verblijft als gevolg van het met onbekende bestemming vertrekken, kan niet voor rekening van de minister komen. Verder staat de aanzegging op grond van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn niet in het SIS, waardoor bij een MOB – anders dan bij een terugkeerbesluit waar bij het weer opduiken in het Schengengebied de 'alert on return' (terugkeersignalering) in het SIS wordt getriggerd en bij de autoriteiten de verplichtingen van de Terugkeerrichtlijn worden ge(her)activeerd omdat de derdelander weer op het grondgebied van de lidstaat verblijft en zonder rechtmatig verblijf de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn weer ter hand dient te worden genomen – geen sprake is van een signalering in een soort van sluimerstand in het SIS tot de hypothetische situatie dat de derdelander/statushouder weer opduikt. Als gevolg van de registratie als ‘met onbekende bestemming’ vertrokken heeft er geen beoordeling van het non-refoulement verbod en de overige belangen zoals neergelegd in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn plaatsgevonden, zodat de formele rechtskracht van het bestreden besluit hier ook niet op ziet. In het hypothetische geval dat eiser weer opduikt op het grondgebied van lidstaat Nederland en hem opnieuw de aanzegging op grond van artikel 6, tweede lid van de Terugkeerrichtlijn wordt gegeven om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven dan wel aan hem een terugkeerbesluit wordt opgelegd om terug te keren naar Syrië, moet op dat moment weer actueel en volledig worden beoordeeld of het beginsel van refoulement wordt geëerbiedigd bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn.

AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data
Originele uitspraak

Recente uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:21399Laag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21399, Rechtbank Den Haag, 31-07-2026, NL26.6990

Rechtbank Den Haag31 jul 2026
5/100Bekijk
ECLI:NL:RBDHA:2026:21408Laag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21408, Rechtbank Den Haag, 31-07-2026, NL26.14192

Rechtbank Den Haag31 jul 2026
5/100Bekijk
ECLI:NL:RBDHA:2026:21275Laag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21275, Rechtbank Den Haag, 31-07-2026, C/09/707300 KG ZA 26-670

Rechtbank Den Haag31 jul 2026
10/100Bekijk