Vreemdeling krijgt schadevergoeding na onrechtmatige grensbewaring
ECLI:NL:RBDHA:2026:19761, Rechtbank Den Haag, 03-07-2026, NL26.33145
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Beroep tegen vrijheidontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, beroep ongegrond. Gronden met betrekking tot het migratiepact – lichter middel – toepassing grensprocedure – verblijf in Justitieel Complex Schiphol – artikel 8 EVRM – voortduring maatregel na opheffingsbesluit.
Kern van de zaak
Een vreemdeling was op grond van artikel 6 lid 3 Vreemdelingenwet in grensbewaring gesteld. De maatregel werd opgeheven voordat de rechter uitspraak deed. De vreemdeling vordert schadevergoeding wegens onrechtmatige tenuitvoerlegging van de bewaring.
Beslissing van de rechter
Het beroep wordt beoordeeld uitsluitend op de vraag of schadevergoeding moet worden toegekend op grond van artikel 106 Vw; de rechtbank toetst of de grensbewaring op enig moment onrechtmatig was. De uitkomst van de schadevergoedingsbeslissing is niet volledig kenbaar uit de beschikbare tekst, maar de rechtbank beoordeelt meerdere door eiser aangevoerde gronden voor onrechtmatigheid.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele zaak van de Rechtbank Den Haag over een opgeheven grensbewaring; de uitspraak past binnen bestaande jurisprudentie en stelt geen nieuwe rechtsnormen. De beschikbare tekst is bovendien onvolledig, waardoor de definitieve beslissing niet kan worden vastgesteld.
Belangrijkste punten
- 1Grensbewaring opgelegd op grond van artikel 6 lid 3 Vw in het kader van grensbewakingsbelang (artikel 5.1a Vb)
- 2Maatregel werd opgeheven vóór de zitting; toetsing beperkt zich tot schadevergoeding ex artikel 106 Vw
- 3Eiser stelt dat de wettelijke bewaringsgrond ontbreekt in strijd met artikel 10 lid 4 Opvangrichtlijn
- 4Eiser betwist toepassing van de grensprocedure op zijn situatie en voert kwetsbaarheid aan als bijzondere individuele omstandigheid
- 5Verweerder zou onvoldoende hebben gemotiveerd waarom geen lichter middel kon worden toegepast
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak illustreert de toepassing van artikel 106 Vw bij reeds opgeheven grensbewaringen en de toetsing aan de Opvangrichtlijn en het proportionaliteitsbeginsel. De beoordeling van kwetsbaarheid als bijzondere individuele omstandigheid is relevant voor de grenzen van het grensbewaringsbeleid.
Praktische impact
Vreemdelingen in grensbewaring kunnen ook na opheffing van de maatregel aanspraak maken op schadevergoeding als de bewaring op enig moment onrechtmatig was, wat de rechtsbescherming vergroot.
Onderwerp-impact
Voor de vreemdelingenrechtpraktijk bevestigt deze zaak dat meerdere gronden cumulatief kunnen worden aangevoerd tegen grensbewaring, waaronder Unierechtelijke vereisten uit de Opvangrichtlijn en de plicht tot beoordeling van bijzondere procedurele behoeften.
Samenvatting
In deze zaak bij de Rechtbank Den Haag stond een vreemdeling centraal die op grond van artikel 6 lid 3 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in grensbewaring was gesteld in het kader van het grensbewakingsbelang. De maatregel was reeds opgeheven voordat de rechter uitspraak deed. Daarmee beperkte de juridische vraag zich tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest en of eiser recht heeft op schadevergoeding ten laste van de Staat op grond van artikel 106 Vw. Eiser voerde een reeks gronden aan. Ten eerste zou de wettelijke bewaringsgrond ontbreken, in strijd met artikel 10 lid 4 van de Opvangrichtlijn. Ten tweede zou verweerder onvoldoende hebben gemotiveerd waarom geen lichter middel kon worden ingezet, in strijd met het proportionaliteitsbeginsel van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000. Ten derde zou de grondslag voor detentie zijn vervallen omdat de grensprocedure niet op eiser van toepassing was. Ten vierde had verweerder, gelet op de gestelde kwetsbaarheid van eiser, een beoordeling moeten maken van zijn bijzondere procedurele behoeften. Ten vijfde is aangevoerd dat de maatregel in strijd is met de Schengengrenscode. De rechtbank toetst op grond van artikel 94 lid 6 Vw of de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd was met de wet of bij afweging van belangen niet gerechtvaardigd was. De volledige beslissing over de schadevergoeding is op basis van de beschikbare tekst niet volledig kenbaar, maar de rechtbank heeft het onderzoek gesloten na schriftelijke reacties van partijen. De zaak bevestigt de bestaande lijn dat ook na opheffing van een vrijheidsontnemende maatregel volledige rechterlijke toetsing en eventuele schadevergoeding mogelijk blijven.