Beroep levensloopuitkering ongegrond, immateriële schadevergoeding toegekend
ECLI:NL:RBDHA:2026:15429, Rechtbank Den Haag, 29-05-2026, 25/9231
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Het in het jaar 2021 aan eiser uitgekeerde levenslooptegoed is terecht in het jaar 2021 belast. Er is geen sprake van een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens, een individuele en buitensporige last, een schending van het gelijkheidsbeginsel of een schending van het evenredigheidsbeginsel. Het beroep is ongegrond. Eiser heeft recht op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Kern van de zaak
Een werknemer had via zijn werkgever een levenslooptegoed van ruim € 94.000 opgebouwd. Zijn verzoek tot opname voor onbetaald verlof werd door de werkgever ingetrokken wegens de coronapandemie. In oktober 2021 werd het tegoed verplicht uitgekeerd en volledig in de belastingheffing betrokken; de werknemer bestreed de daaruit voortvloeiende aanslag IB/PVV 2021 bij de rechtbank.
Beslissing van de rechter
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond: de belastingheffing over de levensloopuitkering is conform het wettelijke overgangsrecht (art. 39d Wet LB 1964) correct toegepast. Tegelijkertijd wordt verweerder (de Belastingdienst) veroordeeld tot betaling van € 2.000 immateriële schadevergoeding, vermoedelijk wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Impactscore
LaagDe levensloopregeling is al in 2012 stopgezet en het overgangsrecht is in 2021 definitief geëindigd; de groep betrokkenen is daarmee zeer beperkt. De uitspraak past binnen de bestaande wettelijke kaders en stelt geen nieuwe rechtsregels.
Belangrijkste punten
- 1Het levenslooptegoed van € 94.055,42 werd op 28 oktober 2021 verplicht uitgekeerd conform het overgangsrecht van art. 39d Wet LB 1964, dat per 1 november 2021 eindigde.
- 2De belasting over de levensloopuitkering is terecht geheven; het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2021 is ongegrond verklaard.
- 3De werkgever had het verlofverzoek aanvankelijk goedgekeurd maar trok dit in vanwege een tijdelijke coronamaatregel, waardoor eiser het tegoed niet kon gebruiken als gepland.
- 4De rechtbank veroordeelt de Belastingdienst tot betaling van € 2.000 immateriële schadevergoeding (waarschijnlijk wegens termijnoverschrijding).
- 5Het fiscale overgangsrecht voor de levensloopregeling is met twee maanden verkort door de Wet overige fiscale maatregelen 2021, van 31 december naar 31 oktober 2021.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat de verplichte uitkering van levenslooptegoed bij het aflopen van het overgangsrecht (art. 39d Wet LB 1964) leidt tot belastbare loonheffing, ook als de werknemer door externe omstandigheden (corona) geen gebruik kon maken van de verlofmogelijkheid. Immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding blijft een zelfstandige grond naast een ongegrond inhoudelijk beroep.
Praktische impact
Voor werknemers die hun levenslooptegoed niet konden opnemen door de coronamaatregelen van hun werkgever biedt deze uitspraak geen fiscale soelaas: de belastingheffing bij de verplichte einduitkering blijft in stand. Enige compensatie is mogelijk via immateriële schadevergoeding bij lange procesduur.
Onderwerp-impact
De uitspraak is relevant voor (voormalige) deelnemers aan de levensloopregeling die door bijzondere omstandigheden hun tegoed niet konden benutten voor het beoogde doel, en voor de afwikkeling van het overgangsrecht van de inmiddels beëindigde levensloopregeling.
Samenvatting
In deze zaak had een werknemer via zijn werkgever een levenslooptegoed opgebouwd van ruim € 94.000. In februari 2020 vroeg hij toestemming om dit tegoed in te zetten voor onbetaald verlof van juni 2020 tot december 2021. De werkgever keurde dit verzoek aanvankelijk goed, maar trok de goedkeuring kort daarna in vanwege een tijdelijke coronamaatregel die alle vormen van langdurig verlof verbood vanaf 1 april 2020. Hierdoor kon eiser zijn levenslooptegoed niet op de gewenste wijze benutten. Omdat het fiscale overgangsrecht voor de levensloopregeling — neergelegd in artikel 39d van de Wet op de loonbelasting 1964 — door de Wet overige fiscale maatregelen 2021 met twee maanden was verkort en per 31 oktober 2021 afliep, werd het gehele tegoed op 28 oktober 2021 aan eiser uitgekeerd. Op dit bedrag werd € 46.557,43 aan loonheffing ingehouden, en in de aanslag IB/PVV 2021 werd het volledige tegoed als inkomen uit werk en woning aangemerkt. Eiser ging in beroep en bestreed de rechtmatigheid van deze belastingheffing, waarbij hij kennelijk aanvoerde dat de bijzondere omstandigheid — het door corona gedwarsboomde verlofplan — tot een andere fiscale behandeling zou moeten leiden. De Rechtbank Den Haag verklaart het beroep ongegrond. De heffing over de levensloopuitkering is conform het wettelijke overgangsrecht correct toegepast; het feit dat eiser zijn tegoed niet kon aanwenden voor het beoogde doel, doet aan de belastingplicht niet af. Opvallend is dat de rechtbank de Belastingdienst desondanks veroordeelt tot betaling van € 2.000 immateriële schadevergoeding aan eiser, hetgeen duidt op een geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. De uitspraak heeft beperkte precedentwerking nu de levensloopregeling al lang is beëindigd.