Minister verplicht tot besluit op aanvraag op straffe van dwangsom
ECLI:NL:RBDHA:2026:12517, Rechtbank Den Haag, 30-04-2026, NL26.12506
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Herhaald beroep niet tijdig beslissen op de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor gezinshereniging nareis asiel en een mvv voor verblijf voor gezinshereniging nareis asiel – 8 EVRM. Dictum: Gegrond
Kern van de zaak
Een eiser heeft beroep ingesteld bij de rechtbank omdat de minister niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag, ondanks een eerder door de rechtbank gestelde termijn in een uitspraak van 12 december 2024. Het betreft een opvolgend beroep wegens niet-tijdig beslissen.
Beslissing van de rechter
Het beroep is gegrond verklaard: de rechtbank vernietigt het met een besluit gelijkgestelde niet-tijdig beslissen en draagt de minister op binnen twee weken een besluit te nemen. Doorslaggevend is dat de minister de uitdrukkelijk door de rechter gestelde termijn heeft laten verstrijken zonder te beslissen, waardoor zelfs zonder ingebrekestelling het beroep ontvankelijk is.
Impactscore
MiddelDe zaak zelf is routinematig, maar de toepassing van het verlaagde dwangsomtarief conform de nieuwe RvS-lijn geeft de uitspraak enige precedentwaarde voor vergelijkbare niet-tijdig-beslissenzaken bij deze zittingsplaats.
Belangrijkste punten
- 1Bij een eerder door de rechter gestelde en verstreken beslistermijn is een ingebrekestelling niet vereist voor ontvankelijkheid van het beroep
- 2De rechtbank past het standaardtarief van € 100,- per dag (max. € 15.000,-) toe, niet het hogere tarief van € 250,- (max. € 37.500,-)
- 3Tariefswijziging volgt mede uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak RvS van 31 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1792)
- 4Het hogere dwangsomtarief blijft mogelijk als een sterke prikkel nodig is, maar dat is in dit geval niet vastgesteld
- 5Minister wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht (€ 200,-) en proceskosten (€ 467,-)
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past de dwangsomtarieven bij niet-tijdig beslissen aan conform de nieuwe RvS-lijn (ECLI:NL:RVS:2026:1792), waarbij het standaardtarief bij opvolgende beroepen wordt verlaagd van € 250,- naar € 100,- per dag. Dit heeft directe betekenis voor de hoogte van dwangsommen in bestuurlijke procedures over niet-tijdig beslissen.
Praktische impact
Eisers in vergelijkbare procedures ontvangen bij een gegrond beroep wegens niet-tijdig beslissen voortaan een lagere dwangsom dan voorheen, tenzij een bijzondere prikkel noodzakelijk wordt geacht. De minister moet binnen twee weken alsnog beslissen op de aanvraag.
Onderwerp-impact
Voor bestuursorganen en aanvragers in procedures over trage besluitvorming door de overheid geldt voortaan een lager financieel risico bij dwangsommen, wat de urgentie voor bestuursorganen om tijdig te beslissen enigszins vermindert.
Samenvatting
In deze zaak bij de Rechtbank Den Haag heeft een eiser beroep ingesteld wegens het niet-tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag door de minister. Bijzonder aan deze zaak is dat de rechtbank al eerder, in een uitspraak van 12 december 2024, een uitdrukkelijke termijn had gesteld voor het nemen van dat besluit. Omdat die termijn inmiddels was verstreken zonder dat de minister had beslist, oordeelde de rechtbank dat van eiser niet gevergd kon worden eerst een ingebrekestelling te sturen. Het beroep was dan ook ontvankelijk ondanks het ontbreken van die ingebrekestelling. De rechtbank stelde vervolgens vast dat de minister inderdaad niet tijdig had beslist, verklaarde het beroep kennelijk gegrond en vernietigde het met een besluit gelijkgestelde niet-tijdig beslissen. De minister werd opgedragen binnen twee weken na verzending van de uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken. Aan die verplichting werd een dwangsom verbonden van € 100,- per dag bij overschrijding, met een maximum van € 15.000,-. Opmerkelijk is dat de rechtbank daarbij uitdrukkelijk afstapt van het hogere dwangsomtarief van € 250,- per dag (maximum € 37.500,-) dat eerder werd gehanteerd bij opvolgende beroepen. Deze tariefsverlaging volgt mede uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1792). Het hogere tarief blijft slechts beschikbaar als de rechtbank een sterke prikkel noodzakelijk acht, hetgeen in deze zaak niet het geval was. Verder werd de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van € 200,- en de proceskosten van € 467,-. De uitspraak illustreert de doorwerking van de nieuwe RvS-lijn in de dagelijkse bestuurspraktijk rondom niet-tijdig beslissen.