Beroep gegrond: minister moet alsnog beslissen over nareis asiel
ECLI:NL:RBDHA:2026:12471, Rechtbank Den Haag, 16-04-2026, AWB 26/3729
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Beroep niet tijdig beslissen op de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor gezinshereniging nareis asiel en een mvv voor verblijf voor gezinshereniging nareis asiel - artikel 8 EVRM. Dictum: Gegrond
Kern van de zaak
Een asielzoeker heeft een aanvraag ingediend voor gezinshereniging (nareis asiel) en een mvv op grond van artikel 8 EVRM. De minister heeft niet tijdig beslist op de aanvraag, ook niet na gebruikmaking van de verlengingsbevoegdheid. Eiser heeft de minister in gebreke gesteld en vervolgens beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit.
Beslissing van de rechter
De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het fictieve weigeringsbesluit wegens niet tijdig beslissen. De minister wordt opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen dan wel nader onderzoek aan te bieden, en bij nader onderzoek binnen twintig weken te beslissen, op straffe van een dwangsom van €100 per dag.
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige beroepsprocedure wegens niet tijdig beslissen in een individuele vreemdelingenzaak; er worden geen nieuwe of richtinggevende rechtsvragen beantwoord.
Belangrijkste punten
- 1Voor aanvragen ingediend vóór 28 maart 2025 geldt een beslistermijn van 90 dagen, verlengbaar met maximaal drie maanden.
- 2De minister heeft de verlengingsbevoegdheid benut, maar ook daarna niet tijdig beslist.
- 3Eiser heeft rechtsgeldig een ingebrekestelling ingediend als vereiste voorwaarde voor beroep wegens niet tijdig beslissen.
- 4De rechtbank legt een dwangsom op van €100 per dag om naleving van de beslistermijn te waarborgen.
- 5Eiser is vrijgesteld van griffierecht na aangetoond te hebben aan de voorwaarden te voldoen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de standaardtoepassing van de beroepsprocedure bij niet tijdig beslissen (artikel 6:2 jo. 8:55b Awb) in vreemdelingenzaken, inclusief de dwangsomregeling. Er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord.
Praktische impact
De minister moet binnen acht weken een besluit nemen over de nareis-aanvraag, anders loopt er een dwangsom op. Eiser behoudt zijn rechtspositie en hoeft geen griffierecht te betalen.
Onderwerp-impact
In gezinsherenigingszaken op asielgrondslag onderstreept deze uitspraak dat de rechter actief ingrijpt bij termijnoverschrijding door de minister, ook als de verlengingsbevoegdheid al is benut.
Samenvatting
In deze zaak heeft een asielzoeker beroep ingesteld bij de Rechtbank Den Haag omdat de minister van Justitie en Veiligheid niet tijdig had beslist op zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van gezinshereniging op grond van nareis asiel en artikel 8 EVRM. Voor aanvragen ingediend vóór 28 maart 2025 geldt een wettelijke beslistermijn van 90 dagen, die de minister mag verlengen met maximaal drie maanden. De minister heeft van deze verlengingsbevoegdheid gebruikgemaakt, maar ook daarna is geen besluit genomen. Eiser heeft de minister vervolgens schriftelijk in gebreke gesteld, waarna hij na het uitblijven van een besluit binnen twee weken beroep heeft ingesteld. De rechtbank heeft de zaak zonder zitting afgedaan en eerst vastgesteld dat eiser terecht vrijstelling van griffierecht is verleend. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat de wettelijke beslistermijn ruimschoots was verstreken en de ingebrekestelling rechtsgeldig was ingediend, zodat het beroep ontvankelijk was. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het met een besluit gelijkgestelde niet tijdig beslissen. De minister wordt opgedragen binnen acht weken na verzending van de uitspraak een besluit bekend te maken of nader onderzoek aan te bieden; indien nader onderzoek wordt aangeboden, geldt een termijn van twintig weken. Om naleving te waarborgen is een dwangsom van €100 per dag opgelegd voor elke dag dat de minister na het verstrijken van die termijn in gebreke blijft. De uitspraak is inhoudelijk weinig verrassend en past volledig binnen de vaste lijn van bestuursrechtelijke rechtspraak over niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken.