Beroep niet-tijdig beslissen gegrond, dwangsom opgelegd
ECLI:NL:RBDHA:2026:12324, Rechtbank Den Haag, 13-04-2026, NL26.12588
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Herhaald beroep niet tijdig beslissen om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor gezinshereniging nareis asiel en een mvv voor verblijf voor gezinshereniging nareis asiel – 8 EVRM. Dictum: Gegrond
Kern van de zaak
Een eiser heeft beroep ingesteld bij de Rechtbank Den Haag omdat de minister naliet tijdig te beslissen op zijn aanvraag. Een eerdere rechterlijke uitspraak van 15 april 2025 had al een expliciete beslistermijn gesteld, die onbenut verstreek. Eiser stapte zonder ingebrekestelling naar de rechter vanwege het ontbreken van enig besluit.
Beslissing van de rechter
Het beroep is gegrond verklaard: de rechtbank oordeelt dat de minister in gebreke is gebleven een tijdig besluit te nemen. De minister wordt opgedragen binnen twee weken alsnog een besluit te nemen, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-.
Impactscore
LaagDe uitspraak past volledig binnen een gevestigde lijn van de bestuursrechter inzake beroep niet-tijdig beslissen en stelt geen nieuwe rechtsvragen; de maatschappelijke impact is beperkt tot de individuele zaak.
Belangrijkste punten
- 1Ingebrekestelling was niet vereist, omdat een eerdere rechterlijke uitspraak al een uitdrukkelijke en verstreken beslistermijn had gesteld
- 2Het niet tijdig nemen van een besluit wordt gelijkgesteld met een besluit ex artikel 6:2 Awb en is vatbaar voor beroep
- 3De minister heeft geen verweerschrift ingediend, waardoor onduidelijk bleef wanneer besluitvorming zou plaatsvinden
- 4Dwangsom van € 250,- per dag (max. € 37.500,-) wordt verbonden aan overschrijding van de nieuwe twee-wekentermijn
- 5Eiser ontvangt vergoeding van griffierecht (€ 200,-) en proceskosten (€ 467,-)
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat bij een reeds door de rechter gestelde en verstreken beslistermijn een ingebrekestelling niet als ontvankelijkheidseis geldt. Dit sluit aan bij de bestaande lijn in de bestuursrechtspraak omtrent beroep niet-tijdig beslissen.
Praktische impact
De minister is gehouden binnen twee weken een inhoudelijk besluit te nemen; blijft dit uit, lopen de dwangsommen op tot maximaal € 37.500,-. Eiser ontvangt zijn proceskosten en griffierecht vergoed.
Onderwerp-impact
Voor aanvragers in bestuursrechtelijke procedures bevestigt deze uitspraak dat een tweede rechterlijke tussenkomst mogelijk is wanneer een eerder opgelegde beslistermijn wordt genegeerd, zonder dat opnieuw een ingebrekestelling vereist is.
Samenvatting
In deze zaak bij de Rechtbank Den Haag stond de vraag centraal of een eiser ontvankelijk is in zijn beroep wegens het niet tijdig beslissen door de minister, terwijl geen ingebrekestelling was verstuurd. De achtergrond is dat de rechtbank in een eerdere uitspraak van 15 april 2025 al een expliciete termijn had gesteld waarbinnen de minister een besluit diende te nemen op de aanvraag van eiser. Die termijn verstreek zonder dat de minister handelde. Eiser stelde vervolgens opnieuw beroep in. De rechtbank oordeelt dat het ontbreken van een ingebrekestelling in dit geval geen belemmering vormt voor de ontvankelijkheid. Omdat de bestuursrechter eerder uitdrukkelijk een beslistermijn had gesteld — en die termijn inmiddels was verstreken — kon van eiser redelijkerwijs niet worden verwacht dat hij de minister nogmaals schriftelijk in gebreke zou stellen. Dit oordeel is gebaseerd op artikel 6:2 juncto 6:12 Awb en sluit aan bij vaste jurisprudentie. Op inhoudelijke gronden verklaart de rechtbank het beroep kennelijk gegrond: de minister heeft verzuimd binnen de gestelde termijn een besluit te nemen en heeft ook geen verweerschrift ingediend. De rechtbank vernietigt het fictieve besluit (het niet tijdig beslissen) en legt de minister een nieuwe beslistermijn op van twee weken na verzending van de uitspraak. Om naleving te waarborgen, verbindt de rechtbank een dwangsom van € 250,- per dag aan overschrijding van deze termijn, met een wettelijk maximum van € 37.500,-. Voorts wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht (€ 200,-) en de proceskosten (€ 467,-). De uitspraak bevestigt de bestaande praktijk rondom herhaald niet-tijdig beslissen en het bij die situatie passende procedurele instrumentarium.