Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen door minister
ECLI:NL:RBDHA:2026:12305, Rechtbank Den Haag, 13-04-2026, NL26.11945
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Herhaald beroep niet tijdig beslissen op de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor gezinshereniging nareis asiel en een mvv voor verblijf voor gezinshereniging nareis asiel – 8 EVRM Dictum: Gegrond
Kern van de zaak
Een eiser heeft beroep ingesteld bij de Rechtbank Den Haag omdat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn heeft beslist op zijn aanvraag. De rechtbank had al eerder in een uitspraak van 9 juli 2025 een expliciete beslistermijn gesteld, die inmiddels was verstreken. De minister nam desondanks geen besluit en diende geen verweerschrift in.
Beslissing van de rechter
Het beroep wegens niet tijdig beslissen is gegrond verklaard. De minister wordt opgedragen binnen twee weken alsnog een besluit te nemen, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-. Doorslaggevend is dat de minister een eerder door de rechter gestelde beslistermijn heeft overschreden zonder enige reactie.
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige beroepszaak wegens niet tijdig beslissen waarbij de rechtbank conform vast beleid en bestaande jurisprudentie handelt; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord en de uitkomst is sterk casuïstisch.
Belangrijkste punten
- 1Beroep wegens niet tijdig beslissen is ontvankelijk zonder ingebrekestelling, omdat de bestuursrechter eerder al een expliciete en verstreken beslistermijn had gesteld
- 2De minister heeft de eerder rechterlijk opgelegde beslistermijn genegeerd en geen verweerschrift ingediend
- 3Rechtbank legt dwangsom op van € 250,- per dag, maximaal € 37.500,-, conform gangbaar rechtbankbeleid
- 4Proceskosten van € 467,- komen ten laste van de minister
- 5Voor aanvragen ingediend vóór 28 maart 2025 geldt een beslistermijn van 90 dagen, verlengbaar met maximaal drie maanden
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een voorafgaande rechterlijke termijnstelling de ingebrekestellingsverplichting van artikel 6:12 Awb opzijzet, waardoor beroep wegens niet tijdig beslissen direct ontvankelijk is. Dit sluit aan bij bestaande rechtspraak maar benadrukt de handhavingskracht van rechterlijke tussenbeslissingen.
Praktische impact
De minister is gedwongen binnen twee weken een besluit te nemen op de aanvraag, anders lopen de dwangsommen op tot maximaal € 37.500,-. De eiser ontvangt daarnaast een proceskostenvergoeding van € 467,-.
Onderwerp-impact
In het vreemdelingenrecht of vergunningenbeleid (de exacte context is onvolledig in de uitspraak) leidt herhaald niet tijdig beslissen tot oplopende dwangsommen en rechterlijke druk op de minister om achterstanden weg te werken.
Samenvatting
In deze zaak had een eiser beroep ingesteld bij de Rechtbank Den Haag omdat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn had beslist op zijn aanvraag. Ingevolge vaste jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2025:5787) geldt voor aanvragen ingediend vóór 28 maart 2025 een beslistermijn van 90 dagen, die de minister kan verlengen met maximaal drie maanden. Van die verlengingsbevoegdheid had de minister gebruik gemaakt. Desondanks bleef een definitief besluit uit, ook nadat de bestuursrechter in een eerdere uitspraak van 9 juli 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:12332) uitdrukkelijk een beslistermijn had gesteld. De centrale rechtsvraag was of het beroep ontvankelijk was zonder voorafgaande ingebrekestelling. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend: wanneer een bestuursrechter eerder een expliciete en inmiddels verstreken termijn heeft gesteld, kan van de betrokkene niet worden verwacht dat hij nogmaals een ingebrekestelling verzendt. Het beroep is daarmee ontvankelijk op grond van artikel 6:2 jo. 6:12 Awb. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk gegrond, vernietigt het met een besluit gelijkgestelde uitblijven van een beslissing en draagt de minister op binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekend te maken. Om naleving af te dwingen verbindt de rechtbank hieraan een dwangsom van € 250,- per dag, met een maximum van € 37.500,-, conform het door de rechtbanken gehanteerde beleid. Nu de minister geen verweerschrift heeft ingediend en onduidelijk is wanneer hij zal beslissen, acht de rechtbank een termijn van twee weken passend. Tot slot wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van de eiser ten bedrage van € 467,-. De uitspraak bevestigt de rechtsbescherming van burgers bij bestuurlijke traagheid en de handhavingskracht van rechterlijke tussenbeslissingen.