Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen minister
ECLI:NL:RBDHA:2026:12298, Rechtbank Den Haag, 10-04-2026, NL26.9511
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Herhaald beroep niet tijdig beslissen op de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor gezinshereniging nareis asiel en een mvv voor verblijf voor gezinshereniging nareis asiel – 8 EVRM. Dictum: Gegrond
Kern van de zaak
Een eiser heeft beroep ingesteld bij de Rechtbank Den Haag omdat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn (90 dagen, verlengd met drie maanden) een besluit heeft genomen op zijn aanvraag. Een eerdere rechterlijke uitspraak van 22 april 2025 had al een expliciete beslistermijn gesteld, die de minister eveneens had laten verstrijken zonder te beslissen.
Beslissing van de rechter
Het beroep is kennelijk gegrond verklaard; het met een besluit gelijkgestelde niet tijdig beslissen is vernietigd. De doorslaggevende reden is dat de minister ondanks een eerder rechterlijk bevel met uitdrukkelijke termijn nog steeds geen besluit heeft genomen, terwijl geen verweerschrift is ingediend over het tijdstip van beslissen.
Impactscore
LaagDe uitspraak past volledig binnen gevestigde rechtspraak over niet-tijdig beslissen en heeft geen nieuwe rechtsvragen beantwoord; het betreft een routinematige toepassing van artikel 6:12 Awb en het standaarddwangsombeleid van de rechtbanken.
Belangrijkste punten
- 1Voor aanvragen ingediend vóór 28 maart 2025 geldt een beslistermijn van 90 dagen, verlengbaar met drie maanden.
- 2Eiser hoefde geen ingebrekestelling te sturen omdat de bestuursrechter in een eerdere uitspraak (22 april 2025) al een uitdrukkelijke en verstreken beslistermijn had gesteld.
- 3Het beroep wegens niet tijdig beslissen is ontvankelijk ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling.
- 4De minister krijgt twee weken na verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen, met een dwangsom van € 250,- per dag bij overschrijding (maximum € 37.500,-).
- 5De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een eerder rechterlijk bevel met een expliciete beslistermijn de ingebrekestellingseis van artikel 6:12 Awb terzijde stelt, wat de toegang tot de rechter bij herhaald talmen door bestuursorganen vergemakkelijkt.
Praktische impact
De minister is gehouden binnen twee weken te beslissen op de aanvraag op straffe van een dwangsom, wat directe druk legt op het bestuursorgaan om achterstanden weg te werken.
Onderwerp-impact
In het vreemdelingenrecht en vergelijkbare beschikkingsprocedures onderstreept deze uitspraak dat herhaalde termijnoverschrijdingen door de minister effectief via rechterlijke dwangsom kunnen worden gesanctioneerd.
Samenvatting
Deze zaak betreft een beroep bij de Rechtbank Den Haag wegens het niet tijdig nemen van een besluit door de minister op een aanvraag van eiser. Op grond van het toepasselijke recht gold voor aanvragen ingediend vóór 28 maart 2025 een beslistermijn van 90 dagen, die de minister had verlengd met drie maanden. Ondanks het verstrijken van deze verlengde termijn, én ondanks een eerdere rechterlijke uitspraak van 22 april 2025 waarbij de rechtbank de minister reeds een uitdrukkelijke beslistermijn had opgelegd, was er ten tijde van de onderhavige procedure nog steeds geen besluit genomen. Centraal juridisch punt was de ontvankelijkheid van het beroep bij gebreke van een formele ingebrekestelling. De rechtbank oordeelde dat het sturen van een ingebrekestelling in dit geval redelijkerwijs niet van eiser kon worden gevergd, omdat de bestuursrechter eerder al een uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn had gesteld. Dit is in lijn met de uitzondering die de Awb en de jurisprudentie bieden op de ingebrekestellingseis. De rechtbank verklaarde het beroep kennelijk gegrond, vernietigde het fictieve weigeringsbesluit en droeg de minister op binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen. Bij overschrijding van die termijn verbeurt de minister een dwangsom van € 250,- per dag, met een maximum van € 37.500,-. Voorts werd de minister veroordeeld in de proceskosten van eiser ad € 467,-. De afwezigheid van een verweerschrift speelde een rol bij de keuze voor een termijn van slechts twee weken. De uitspraak is een toepassing van standaard bestuursrechtelijk instrumentarium en introduceert geen nieuwe rechtsvragen.