Man veroordeeld voor doodslag na dodelijk schot in gezicht
ECLI:NL:RBDHA:2026:11549, Rechtbank Den Haag, 13-05-2026, 09/282393-25
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)De verdachte heeft van korte afstand eenmaal geschoten richting het gezicht van het slachtoffer. Doodslag wettig en overtuigend bewezen. Bekennende verdachte. Verweer (putatief) noodweer(exces) en psychische overmacht verworpen. Gevangenisstraf 10 jaren – aftrek voorarrest. Meerdere vorderingen tot schadevergoedingen nabestaanden.
Kern van de zaak
Een verdachte schoot op 21 oktober 2025 in Den Haag het slachtoffer met een vuurwapen in het gezicht, waarna het slachtoffer overleed. De verdachte stelde dat het slachtoffer zijn zoon aanviel en hij daarop reageerde. Het OM vervolgde hem voor moord, subsidiair doodslag.
Beslissing van de rechter
De rechtbank veroordeelt de verdachte voor doodslag (artikel 287 Sr) en spreekt hem vrij van moord wegens het ontbreken van voorbedachte raad. Doorslaggevend voor het bewijs van vol opzet is dat de verdachte vanaf enkele meters gericht op het hoofd van het slachtoffer schoot, wat naar uiterlijke verschijningsvorm evident op doding was gericht.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele strafzaak zonder nieuwe rechtsvragen; de rechtbank past bestaande doctrine over opzet en voorbedachte raad routinematig toe. De maatschappelijke impact is beperkt tot de direct betrokkenen.
Belangrijkste punten
- 1Verdachte bekende één schot te hebben gelost; doodslag wettig en overtuigend bewezen geacht
- 2Vol opzet op dood aangenomen op grond van korte afstand en gerichtheid op het hoofd van het slachtoffer
- 3Vrijspraak van moord wegens ontbreken van voorbedachte raad, in lijn met standpunten OM én verdediging
- 4Verdediging voerde primair noodweer(exces) aan; uitkomst hiervan is niet volledig kenbaar uit de beschikbare tekst
- 5Uitspraak is onvolledig beschikbaar; strafmaat en eindoordeel over noodweer(exces) zijn niet weergegeven
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de gangbare toepassing van het leerstuk van vol opzet bij gericht schieten op vitale lichaamsdelen; er zijn geen nieuwe rechtsvragen of precedenten zichtbaar. De partiële vrijspraak van moord bij ontbreken van voorbedachte raad is in lijn met bestaande jurisprudentie.
Praktische impact
Voor de verdachte betekent de bewezenverklaring van doodslag een ernstige straf; de definitieve hoogte is niet kenbaar uit de beschikbare tekst. De nabestaanden van het slachtoffer verkrijgen een strafrechtelijke vaststelling van de verantwoordelijkheid.
Onderwerp-impact
De zaak illustreert de strafrechtelijke beoordeling van geweldpleging met vuurwapens in een vermeende noodweersituatie; het onderscheid tussen moord en doodslag blijft relevant bij schietincidenten waarbij opzet maar geen planning aanwezig is.
Samenvatting
Op 21 oktober 2025 schoot de verdachte in Den Haag het slachtoffer met een vuurwapen in het gezicht, waarna het slachtoffer aan zijn verwondingen overleed. De verdachte verklaarde te hebben gehandeld omdat het slachtoffer zijn zoon aanviel; hij ontkende niet het dodelijke schot te hebben gelost. Het Openbaar Ministerie vervolgde de verdachte voor moord, subsidiair doodslag. De centrale juridische vragen betroffen (1) of sprake was van voorbedachte raad en daarmee moord, (2) of vol opzet op de dood kon worden bewezen voor doodslag, en (3) of de verdachte een geslaagd beroep op noodweer of noodweerexces toekwam. De Rechtbank Den Haag sprak de verdachte vrij van moord omdat voorbedachte raad niet kon worden bewezen – een standpunt dat zowel het OM als de verdediging deelden. Voor doodslag achtte de rechtbank vol opzet wél bewezen: de verdachte schoot vanaf slechts enkele meters gericht op het hoofd van het slachtoffer, een handelwijze die naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer op doding is gericht dat daaruit vol opzet kan worden afgeleid. De doodslag op het slachtoffer is daarmee wettig en overtuigend bewezen verklaard. Over het noodweer(exces)-verweer van de verdediging is in de beschikbare tekst geen definitief oordeel opgenomen; de strafmaat en het eindoordeel over dit verweer ontbreken eveneens. De uitspraak past de gevestigde jurisprudentie over opzet bij vuurwapengebruik toe zonder nieuwe rechtsvragen te introduceren, en heeft daarmee primair betekenis voor de direct betrokkenen in deze individuele zaak.