Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens gebrekkig middel
ECLI:NL:HR:2026:760, Hoge Raad, 19-05-2026, 24/00562
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)PGB-fraude. Medeplegen feitelijk leiding geven aan valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.1 Sr) en gewoontewitwassen van geldbedragen (art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr). 1. Kan klacht dat hof niet heeft gerespondeerd op het in hoger beroep naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt “dat ander tlgd. papieren valselijk heeft opgemaakt”, worden aangemerkt als middel a.b.i. wet? 2. Redelijke termijn (inzendtermijn) in cassatie. Ad 1. Als cassatierechter onderzoekt HR alleen middelen a.b.i. wet. Alleen stellige en duidelijke klacht over schending van bepaalde rechtsregel en/of verzuim van toepasselijk vormvoorschrift door rechter die bestreden uitspraak heeft gewezen kan als zo’n middel worden aangemerkt. Als cassatiemiddel I aangeduide klacht voldoet niet aan dit vereiste, zodat deze onbesproken moet blijven. Ad 2. Schriftuur klaagt verder enkel over redelijke termijn in cassatie. Art. 80a RO, verdachte n-o. Samenhang met 24/00563 P.
Kern van de zaak
Een verdachte (vertegenwoordigd door raadslieden) stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad. Het cassatieschrift bevatte een klacht (middel I) die niet voldeed aan de wettelijke vereisten voor een cassatiemiddel, en verder enkel een klacht over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.
Beslissing van de rechter
Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a RO. De doorslaggevende reden is dat cassatiemiddel I niet voldeed aan het vereiste van een stellige en duidelijke klacht over schending van een bepaalde rechtsregel, terwijl de enige overige klacht betrekking had op de redelijke termijn in cassatie zelf.
Impactscore
LaagHet betreft een standaard toepassing van de art. 80a RO-filterprocedure zonder nieuwe rechtsvraag of rechtsvormende overweging; de uitkomst is routinematig en heeft geen precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Cassatiemiddel I voldeed niet aan het vereiste van een stellige en duidelijke klacht over schending van een specifieke rechtsregel of vormverzuim
- 2De schriftuur bevatte naast het gebrekkige middel I uitsluitend een klacht over overschrijding van de redelijke termijn (art. 6 lid 1 EVRM) in de cassatiefase
- 3De Hoge Raad past artikel 80a RO toe en verklaart het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk
- 4De raadslieden hadden vooraf schriftelijk gereageerd op de aankondiging van toepassing van art. 80a RO, maar dit leidde niet tot een andere uitkomst
- 5De zaak bevat geen inhoudelijke beoordeling van de bestreden uitspraak door de Hoge Raad
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn van de Hoge Raad dat artikel 80a RO wordt toegepast wanneer cassatiemiddelen niet voldoen aan de kwaliteitseisen; dit heeft geen nieuwe rechtsvormende waarde maar illustreert de filterfunctie van de Hoge Raad.
Praktische impact
Voor de verdachte betekent de niet-ontvankelijkverklaring dat de bestreden uitspraak in kracht van gewijsde gaat en dat er geen inhoudelijke herbeoordeling plaatsvindt; de procedure eindigt definitief op formele gronden.
Onderwerp-impact
In strafrechtelijke cassatieprocedures benadrukt deze uitspraak het belang van kwalitatief onderbouwde cassatieschriften; gebrekkige middelen worden zonder inhoudelijke bespreking gefilterd via de art. 80a RO-procedure.
Samenvatting
Op 19 mei 2026 heeft de Hoge Raad in deze strafzaak het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO). De verdachte had via zijn raadslieden cassatie ingesteld tegen een eerdere uitspraak. De cassatieschriftuur bevatte twee elementen: een als 'cassatiemiddel I' aangeduid onderdeel en een klacht over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase zelf. De centrale juridische vraag was of het cassatieberoep ontvankelijk was en of de ingediende klachten kwalificeerden als geldige cassatiemiddelen in de zin van de wet. De Hoge Raad stelt voorop dat als cassatierechter uitsluitend cassatiemiddelen worden beoordeeld die bestaan uit een stellige en duidelijke klacht over schending van een bepaalde rechtsregel of een toepasselijk vormverzuim door de lagere rechter. Cassatiemiddel I voldeed hier niet aan en moest daarom onbesproken blijven. De overige inhoud van de schriftuur beperkte zich tot de klacht dat de redelijke termijn in de cassatiefase (art. 6 lid 1 EVRM) was overschreden. Nu er daarmee geen inhoudelijk geldig cassatiemiddel resteerde, maakte de Hoge Raad gebruik van de bevoegdheid neergelegd in artikel 80a RO om het beroep zonder nadere motivering niet-ontvankelijk te verklaren. De raadslieden hadden vooraf schriftelijk gereageerd op de aankondiging van toepassing van deze filterprocedure, maar dat heeft de Hoge Raad niet tot een ander oordeel gebracht. De uitspraak heeft geen rechtsvormende waarde en betreft een routinematige toepassing van de wettelijke filterprocedure. Voor de verdachte heeft de niet-ontvankelijkverklaring tot gevolg dat de eerder bestreden uitspraak definitief in kracht van gewijsde treedt.