Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding
ECLI:NL:HR:2026:762, Hoge Raad, 19-05-2026, 23/03823
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. medeplegen diefstal d.m.v. braak, art. 311.1 Sr. Dubbel verstek. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 432.1.c Sv. Kan uit (op dag voor eerste tz. in hoger beroep verzonden) e-mailbericht van raadsman aan strafgriffie hof, inhoudende dat verdachte niet ttz. aanwezig zal zijn, (gevolgd door schorsing van onderzoek voor bepaalde tijd) worden afgeleid dat verdachte tevoren bekend was met dag van tz.? Art. 432 Sv bepaalt binnen welke termijn cassatieberoep moet worden ingesteld. Hoofdregel is dat dit moet gebeuren binnen 14 dagen na einduitspraak. Die hoofdregel vindt toepassing als zich een van omstandigheden voordoet a.b.i. art. 432. Sv. Dezelfde termijn geldt als ttz. gemachtigde raadsman a.b.i. art. 279.1 Sv is verschenen (vgl. HR:2003:AE9649 en HR:2023:1363). Als zich een van deze omstandigheden voordoet waarna onderzoek ttz. (ongeacht of verdachte en/of zijn raadsman ttz. aanwezig waren) wordt geschorst voor bepaalde tijd, blijft gelden dat termijn voor het instellen van cassatieberoep loopt tot en met 14 dagen na einduitspraak. Dat is ook het geval als, na schorsing voor bepaalde tijd, verdachte en/of zijn raadsman niet op nadere tz. aanwezig zijn (vgl. HR:2008:BC6232 en HR:2023:1363). Als zich een van deze omstandigheden voordoet waarna onderzoek ttz. (ongeacht of verdachte en/of zijn raadsman ttz. aanwezig waren) wordt geschorst voor onbepaalde tijd, geldt o.g.v. art. 432.3 Sv niet zonder meer dat termijn voor instellen van cassatieberoep loopt tot en met 14 dagen na einduitspraak. Dat is slechts het geval als a) verdachte bij hervatting van onderzoek op nadere tz. is verschenen, of b) zich anderszins omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat dag van nadere tz. de verdachte tevoren bekend was, of c) bij hervatting van onderzoek ttz. een gemachtigde raadsman is verschenen (vgl. HR:2003:AG3022 en HR:2023:1363). Ttz. van 23-5-2023 waren verdachte en raadsman niet aanwezig. Gelet op inhoud van e-mail die raadsman de dag voor die tz. aan strafgriffie hof heeft verzonden, moet het er in cassatie voor worden gehouden dat verdachte tevoren met dag van die tz. bekend was. Op 23-5-2023 is onderzoek ttz. voor bepaalde tijd geschorst tot 12-9-2023. Onderzoek is hervat ttz. van 12-9-2023 en op die dag is ook arrest uitgesproken. Dit brengt mee dat cassatieberoep had moeten worden ingesteld binnen 14 dagen na ’s hofs einduitspraak van 12-9-2023. Beroep is ingesteld op 4-10-2023. HR kan daarom cassatieberoep niet in behandeling nemen. Verdachte n-o.
Kern van de zaak
Een verdachte stelde op 4 oktober 2023 beroep in cassatie in tegen een arrest van het hof dat op 12 september 2023 was uitgesproken. De raadsman had vooraf per e-mail laten weten dat hij en de verdachte niet ter zitting zouden verschijnen. De vraag was of het cassatieberoep tijdig was ingesteld.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk. De doorslaggevende reden is dat de verdachte via de e-mail van zijn raadsman vooraf op de hoogte was van de zittingsdatum, waardoor de veertien-dagentermijn van artikel 432 Sv is gaan lopen vanaf de uitspraak op 12 september 2023, terwijl het beroep pas op 4 oktober 2023 — na het verstrijken van die termijn — werd ingesteld.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen gevestigde rechtspraak over de termijnen in artikel 432 Sv en voegt geen nieuwe rechtsregel toe; de toepassing is casuïstisch en beperkt tot de procedurele ontvankelijkheidsvraag in deze specifieke strafzaak.
Belangrijkste punten
- 1De raadsman stuurde voorafgaand aan de zitting een e-mail aan het hof waaruit blijkt dat de verdachte op de hoogte was van de zittingsdatum.
- 2Artikel 432 lid 1 sub c Sv bepaalt dat de veertien-dagentermijn geldt indien zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de zittingsdatum de verdachte tevoren bekend was.
- 3Het arrest werd uitgesproken op 12 september 2023; cassatieberoep moest uiterlijk 26 september 2023 worden ingesteld.
- 4Het cassatieberoep werd ingesteld op 4 oktober 2023, waarmee de termijn met meerdere dagen was overschreden.
- 5Het Openbaar Ministerie (Kempen) had geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat bekendheid met de zittingsdatum via een e-mail van de raadsman als een 'anderszins omstandigheid' in de zin van artikel 432 lid 1 sub c Sv kan gelden, waardoor de kortere cassatietermijn van toepassing is. Dit is een bevestiging van bestaande rechtspraak over de aanvang van de cassatietermijn in strafzaken.
Praktische impact
Voor verdachten en hun raadslieden onderstreept deze uitspraak dat het tijdig instellen van cassatieberoep cruciaal is, ook wanneer zij niet op de zitting verschijnen maar de datum wel kennen. Een e-mail waarmee bekendheid met de zittingsdatum blijkt, kan de kortere termijn activeren.
Onderwerp-impact
In strafzaken dienen advocaten bij afwezigheid ter zitting extra alert te zijn op de cassatietermijn; communicatie richting de rechter over een bekende zittingsdatum kan rechtstreeks gevolgen hebben voor de ontvankelijkheid van een later in te stellen rechtsmiddel.
Samenvatting
In deze strafzaak stond de vraag centraal of het namens de verdachte ingestelde cassatieberoep ontvankelijk was, gelet op de wettelijke termijn van artikel 432 van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte was in hoger beroep niet verschenen op de zittingen van 23 mei 2023 en 12 september 2023. Zijn raadsman had vóór de eerste zitting per e-mail aan de strafgriffie van het hof laten weten dat noch hij noch zijn cliënt ter zitting aanwezig zouden zijn, waarbij de zittingsdatum expliciet werd vermeld. Het hof deed op 12 september 2023 uitspraak. Op 4 oktober 2023 werd namens de verdachte cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad oordeelt dat de e-mail van de raadsman een omstandigheid oplevert waaruit voortvloeit dat de verdachte de zittingsdatum tevoren kende in de zin van artikel 432 lid 1 sub c Sv. Daarmee gold de korte termijn van veertien dagen voor het instellen van cassatie, die begon te lopen op de dag van de uitspraak, 12 september 2023, en dus afliep op 26 september 2023. Nu het beroep pas op 4 oktober 2023 werd ingesteld, was de termijn overschreden. De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Het Openbaar Ministerie had daartoe ook geconcludeerd. De uitspraak bevat geen nieuwe rechtsregel, maar bevestigt dat kennis van de zittingsdatum — ook wanneer die slechts indirect blijkt uit communicatie van de raadsman richting het gerecht — de verdachte bindt aan de kortere cassatietermijn. Voor de strafrechtpraktijk is dit een herinnering dat het tijdig instellen van cassatieberoep een eigen, strikte verantwoordelijkheid van de verdediging is, ongeacht de aanwezigheid ter zitting.