Hoge Raad vermindert ontnemingsmaatregel wegens overschrijding redelijke termijn
ECLI:NL:HR:2026:759, Hoge Raad, 19-05-2026, 24/00563
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Profijtontneming, w.v.v. uit valsheid in geschrift, art. 36e.2 Sr. 1. Motivering schatting w.v.v. Kon hof vaststellen dat verzekeringsmaatschappij bij 48 cliënten ongeregeldheden heeft geconstateerd? 2. Kon hof oordelen dat in hoger beroep gevoerd verweer nagenoeg identiek is aan wat verdediging in eerste aanleg heeft aangevoerd en waar Rb op heeft beslist? 3. Toerekening w.v.v. i.g.v. meerdere daders. Kon hof w.v.v. geheel aan betrokkene toerekenen? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/00562.
Kern van de zaak
Een veroordeelde had cassatieberoep ingesteld tegen een ontnemingsmaatregel van ruim €861.000. In cassatie werd onder meer geklaagd over overschrijding van de redelijke termijn doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de Hoge Raad pas na meer dan twee jaar uitspraak deed.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verwerpt het eerste cassatiemiddel zonder nadere motivering op grond van artikel 81 RO. Het tweede cassatiemiddel wordt gegrond verklaard: wegens overschrijding van de redelijke termijn ex artikel 6 lid 1 EVRM wordt de betalingsverplichting verminderd van €861.227 naar €856.227.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een routinematige toepassing van vaste rechtspraak over redelijke termijn en ontnemingsmaatregelen; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord en de financiële vermindering is beperkt.
Belangrijkste punten
- 1Eerste cassatiemiddel verworpen op grond van artikel 81 lid 1 RO (geen rechtseenheidsvraag)
- 2Redelijke termijn ex artikel 6 lid 1 EVRM overschreden in cassatiefase door te late inzending stukken door het hof
- 3Hoge Raad deed bovendien uitspraak meer dan twee jaar na instelling cassatieberoep
- 4Overschrijding redelijke termijn leidt tot vermindering ontnemingsmaatregel met €5.000 (van €861.227 naar €856.227)
- 5Beperkte vernietiging: uitsluitend de hoogte van de ontnemingsmaatregel wordt vernietigd, beroep voor het overige verworpen
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase – ook bij ontnemingsmaatregelen – leidt tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting. De standaardkorting van €5.000 bij een termijnoverschrijding in cassatie wordt opnieuw toegepast.
Praktische impact
De veroordeelde hoeft uiteindelijk €5.000 minder te betalen aan ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De overschrijding van de redelijke termijn is hoofdzakelijk te wijten aan het te laat inzenden van stukken door het hof.
Onderwerp-impact
In ontnemingszaken onderstreept deze beslissing dat vertragingen in de cassatieprocedure – ook als die aan de rechterlijke macht zijn toe te rekenen – consequenties hebben voor de hoogte van de betalingsverplichting.
Samenvatting
In deze Hoge Raad-zaak stond een ontnemingsmaatregel centraal van ruim €861.000, opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De veroordeelde stelde cassatieberoep in en voerde twee middelen aan. Het eerste cassatiemiddel richtte zich tegen de uitspraak van het hof, maar de Hoge Raad verwierp dit zonder uitgebreide motivering op grond van artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie, omdat beantwoording van de klachten niet noodzakelijk was voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het tweede cassatiemiddel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM. De Hoge Raad verklaarde dit middel gegrond. Twee omstandigheden speelden daarbij een rol: ten eerste had het hof de stukken te laat ingezonden, en ten tweede had de Hoge Raad zelf pas na meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak gedaan. Beide factoren samen leidden tot het oordeel dat de redelijke termijn was overschreden. Als gevolg hiervan vernietigde de Hoge Raad de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover het de hoogte van de ontnemingsmaatregel betrof. De betalingsverplichting werd verminderd met €5.000, van €861.227 naar €856.227. Dit bedrag sluit aan bij de standaardvermindering die de Hoge Raad pleegt toe te passen bij een termijnoverschrijding in de cassatiefase. Voor het overige werd het beroep verworpen. De uitspraak is een bevestiging van bestaande rechtspraak en introduceert geen nieuwe rechtsnormen, maar illustreert wederom dat vertragingen in de rechtsgang – ook als die aan de rechterlijke macht zelf zijn toe te rekenen – gevolgen hebben voor de hoogte van opgelegde sancties.