Rechtbank stelt prejudiciële vraag over Palestijnse staatlozen en UNRWA
ECLI:NL:RBDHA:2026:10567, Rechtbank Den Haag, 04-05-2026, NL23.31905, NL23.31907 en NL23.31908 verwijzing
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Prejudiciële vraag ‘uitsluitingsgrond staatloze Palestijnen’. Verzoekers zijn een gezin bestaande uit vader, moeder, zoon en dochter. Verzoekers zijn door UNRWA geregistreerd. Zij zijn niet afkomstig uit het werkgebied van UNRWA en kunnen niet aannemelijk maken dat zij eerder bescherming en/of bijstand aan UNRWA hebben gevraagd en ook hebben verkregen. Verzoekers zijn afkomstig uit Libië, maar bezitten geen nationaliteit en zijn niet in het bezit van een verblijfsvergunning voor enig land en hebben thans van geen enkel derdeland toestemming voor toelating en/of verblijf. Om te kunnen beoordelen of verzoekers aanspraak maken op verlening van een internationale beschermingsstatus, moet de rechtbank allereerst nagaan of verzoekers, omdat zij staatloze Palestijnen zijn en gelet op de UNRWA-registratie, zijn uitgesloten van de vluchtelingenstatus en moet de rechtbank dus de mogelijke toepasselijkheid van artikel 12, lid 1, onder a, van richtlijn 2011/95 op de situatie van de verzoekers onderzoeken. Artikel 12, eerste lid, onder a, van richtlijn 2011/95 is van toepassing op onderdanen van een derdeland en staatlozen die onder artikel 1, onder D, van het Verdrag van Genève vallen. Uit de interpretatie die UNHCR aan artikel 1, onder D, van het Verdrag van Genève geeft in Guideline No. 13 bij dit Verdrag, volgt dat verzoekers onder deze bepaling vallen. De rechtbank vraagt het Hof te verduidelijken of een volledige en niet-restrictieve toepassing van het Verdrag van Genève kan leiden tot het in het Unierecht stellen van nadere vereisten aan de toepasselijkheid van de eerste volzin van artikel 1, onder D, van het Verdrag van Genève. De rechtbank meent van niet. Verzoekers hebben niet de nationaliteit van een van de gastlanden van UNRWA en hebben ook geen verblijfsvergunning of andere toestemming voor verblijf in die landen. UNRWA heeft geen mandaat om vluchtelingen te resettelen. De rechtbank vraagt zich af of de omstandigheid dat verzoekers niet afkomstig zijn uit een sector van het werkgebied van UNRWA en zich daarom niet kunnen begeven ‘naar een sector van het werkgebied van die organisatie waar deze staatloze vroeger gewoonlijk verbleef’, reeds moet worden aangemerkt een situatie waarin de bescherming of bijstand van UNRWA -voor verzoekers- moet worden geacht te zijn opgehouden en verzoekers daarom ‘ipso facto’ voor de voorzieningen uit richtlijn 2011/95 in aanmerking komen. Indien het Unierecht niet op deze wijze moet worden uitgelegd heeft te gelden dat verzoekers en verweerder geen terugkeerverplichting kunnen uitvoeren. Libië kan niet als land van terugkeer worden aangemerkt gelet op de vereisten die richtlijn 2008/115 en de rechtspraak van het Hof hieraan stellen. De rechtbank vraagt het Hof in dat geval om te verduidelijken hoe deze situatie zich verhoudt met artikel 1 van het Handvest. Indien aan een derdelander door een lidstaat van de Unie de vluchtelingenstatus is verleend, maar deze derdelander zich niet onder bescherming van de statusverlenende lidstaat kan stellen, dient bij de beoordeling van zijn verzoek om internationale bescherming dat in een andere lidstaat wordt ingediend, ten volle rekening te worden gehouden met deze eerder verleende vluchtelingenstatus en de elementen die deze beslissing ondersteunen. Indien een door UNRWA erkende staatloze Palestijnse vluchteling zich niet onder bescherming van UNRWA kan stellen maar aan hem niet de voorzieningen van richtlijn 2011/95 toekomen, wordt aan de omstandigheid dat de internationale gemeenschap de betreffende staatloze Palestijn reeds als vluchteling heeft erkend, geen betekenis toegekend. De rechtbank vraagt zich af of dit verenigbaar is met artikel 21, tweede lid, van het Handvest, waarin is bepaald dat binnen de werkingssfeer van de Verdragen en onverminderd de bijzondere bepalingen ervan, iedere discriminatie op grond van nationaliteit is verboden. De rechtbank verzoekt het Hof om artikel 12, eerste lid onder a, van richtlijn 2011/95, gelezen in samenhang met artikelen 1 en 21, tweede lid, van het Handvest van de Grondrechten, nader te verduidelijken en houdt de behandeling van het beroep aan in afwachting van het arrest.
Kern van de zaak
Een Palestijns gezin (staatlozen, afkomstig uit Libië) heeft in Nederland asiel aangevraagd wegens problemen in Libië waaronder ontvoering van de zoon. De vraag rijst of zij als UNRWA-geregistreerde Palestijnen moeten worden behandeld, terwijl zij buiten het UNRWA-werkgebied hebben gewoond.
Beslissing van de rechter
De rechtbank verwijst een prejudiciële vraag naar het Hof van Justitie van de EU; de inhoudelijke behandeling van de asielverzoeken wordt aangehouden. De doorslaggevende reden is onduidelijkheid over de toepasselijkheid van de UNRWA-uitsluitingsgrond (richtlijn 2011/95) op staatloze Palestijnen die nooit in het UNRWA-werkgebied hebben gewoond.
Impactscore
HoogEen prejudiciële verwijzing naar het HvJ EU over de reikwijdte van de UNRWA-uitsluitingsgrond heeft potentieel richtinggevend effect voor meerdere EU-lidstaten en een specifieke, kwetsbare groep asielzoekers, al betreft het een lagere rechter die verwijst.
Belangrijkste punten
- 1Verzoekers zijn staatloze Palestijnen die vrijwel uitsluitend in Libië hebben gewoond en nooit in het UNRWA-werkgebied
- 2Verweerder heeft eerdere terugkeerbesluiten naar Libanon ingetrokken na vaststelling van staatloosheid
- 3De rechtbank twijfelt over de uitleg van richtlijn 2011/95 ten aanzien van Palestijnen buiten het UNRWA-mandaatgebied
- 4Schorsende werking van het beroep is toegekend: verzoekers mogen de einduitspraak in Nederland afwachten
- 5Zowel minderjarigheid van kinderen als Palestijnse afkomst spelen een rol in de beoordeling
Impactanalyse
Juridische impact
De verwijzing kan EU-breed verduidelijken in hoeverre staatloze Palestijnen die buiten het UNRWA-werkgebied verblijven, een beroep kunnen doen op (of worden uitgesloten van) internationale bescherming op grond van richtlijn 2011/95. Dit raakt de uitleg van artikel 12 lid 1 sub a van die richtlijn.
Praktische impact
Voor het gezin betekent de verwijzing een verdere vertraging van de asielprocedure; zij mogen in Nederland blijven in afwachting van de uitkomst. Voor andere staatloze Palestijnen in vergelijkbare situaties is de procedure eveneens in onzekerheid.
Onderwerp-impact
De zaak heeft directe betekenis voor de behandeling van asielaanvragen van staatloze Palestijnen die buiten het UNRWA-mandaatgebied hebben geleefd, een groep die in de Nederlandse en Europese asielpraktijk steeds vaker voorkomt.
Samenvatting
Een Palestijns gezin bestaande uit vader, moeder en twee kinderen heeft in Nederland asiel aangevraagd. Zij zijn statenloos: moeder werd geboren in Libanon maar verhuisde als peuter naar Libië, vader en kinderen zijn in Libië geboren. Het gezin heeft nooit gewoond in het werkgebied van UNRWA, de VN-organisatie voor Palestijnse vluchtelingen. Zij stellen problemen te hebben ondervonden in Libië vanwege hun Palestijnse herkomst; de zoon zou zijn ontvoerd en het gezin vreest bij terugkeer voor ontvoering en verkrachting. Verweerder (de IND) heeft de asielverzoeken beoordeeld aan de hand van richtlijn 2011/95, maar aanvankelijk vastgestelde terugkeerbesluiten naar Libanon ingetrokken nadat staatloosheid werd vastgesteld. De centrale juridische vraag die de Rechtbank Den Haag bezighoudt, is of de uitsluitingsgrond van artikel 12 lid 1 sub a van richtlijn 2011/95 — die ziet op Palestijnen die onder de bescherming of bijstand van UNRWA vallen — van toepassing is op staatloze Palestijnen die nimmer in het UNRWA-werkgebied hebben verbleven en dus nooit feitelijk van UNRWA-bescherming gebruik hebben gemaakt. Het Hof van Justitie heeft eerder arresten gewezen over de UNRWA-uitsluitingsgrond, maar de specifieke situatie van Palestijnen volledig buiten het mandaatgebied blijft onvoldoende uitgekristalliseerd. De rechtbank acht het daarom noodzakelijk een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie van de EU en houdt de inhoudelijke beoordeling van de asielaanvragen aan. Aan het beroep is schorsende werking toegekend, zodat het gezin de uitkomst in Nederland mag afwachten. De zaak is voor de Europese asielpraktijk van belang omdat zij verduidelijking kan brengen over de beschermingsstatus van een groeiende groep staatloze Palestijnen die buiten het traditionele UNRWA-werkgebied leven.