Asielaanvraag Syrische seculiere moslim afgewezen door rechtbank
ECLI:NL:RBDHA:2026:10549, Rechtbank Den Haag, 07-04-2026, NL26.2282
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Asiel; Syrische nationaliteit; geen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade vanwege seculiere islamitische geloofsovertuiging; artikel 15c Kwalificatierichtlijn; huidige humanitaire omstandigheden in Syrië aan de hand van actuele bronnen ten onrechte niet (kenbaar) betrokken; wel individuele omstandigheden aangevoerd; artikel 3 EVRM; onvoldoende gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer geen risico loopt op ernstige schade; beroep is gegrond.
Kern van de zaak
Een Syrische man (geboren 2003) vroeg asiel aan in Nederland op basis van zijn seculiere islamitische geloofsovertuiging. Hij stelde te vrezen voor vervolging als afvallige bij terugkeer naar Syrië, mede omdat een man uit het AZC hem had bedreigd en zijn familie hem als afvallige beschouwt.
Beslissing van de rechter
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag door de IND in stand gelaten. Doorslaggevend was dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging aannemelijk heeft gemaakt op basis van zijn seculiere geloofsovertuiging, ondanks dat deze overtuiging als geloofwaardig werd aanvaard.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele eerste-aanleg uitspraak van de Rechtbank Den Haag die geen nieuw rechtskader schept; de redenering sluit aan bij vaste jurisprudentie en heeft beperkte precedentwerking buiten de specifieke casus.
Belangrijkste punten
- 1De seculiere islamitische geloofsovertuiging van eiser wordt geloofwaardig geacht door verweerder (IND), maar leidt niet tot een gegronde vrees voor vervolging.
- 2Syrische nationaliteit op zichzelf is onvoldoende grond voor vluchtelingenstatus in de zin van het Vluchtelingenverdrag.
- 3De bedreiging door een bewoner van het AZC en afwijzing door familieleden worden niet aangemerkt als voldoende onderbouwing van een reëel vervolgingsrisico.
- 4Eiser heeft zijn ouders verlaten op negenjarige leeftijd en woonde sindsdien in Turkije; zijn directe binding met Syrië is beperkt.
- 5De uitspraak is vatbaar voor hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de hoge drempel voor het aannemen van vluchtelingenstatus op grond van (seculiere) geloofsovertuiging: het geloofwaardig achten van de overtuiging is niet voldoende zonder concreet en individueel vervolgingsrisico. Dit sluit aan bij bestaande jurisprudentie over godsdienstvervolging.
Praktische impact
Eiser kan niet rekenen op internationale bescherming in Nederland en dient terug te keren; hij kan binnen één week hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State of eventueel een voorlopige voorziening vragen.
Onderwerp-impact
Voor asielzoekers met een seculiere of afvallige islamitische achtergrond uit Syrië onderstreept deze uitspraak dat een geloofwaardige geloofsovertuiging alleen onvoldoende is; er dient een concreet, individueel en aannemelijk vervolgingsrisico te worden aangetoond.
Samenvatting
Deze zaak betreft een Syrische man, geboren in 2003, die eind 2012 op negenjarige leeftijd met zijn ouders naar Turkije vertrok en vervolgens asiel aanvroeg in Nederland. Aan zijn aanvraag legde hij ten grondslag dat hij een seculiere islamitische overtuiging heeft: hij drinkt alcohol, bidt niet en vast niet tijdens de ramadan. Hij stelt hierdoor door zijn familie en een medeazielzoeker als afvallige te worden beschouwd en bedreigd te worden. Bij terugkeer naar Syrië vreest hij ontdekt te worden en wraak te ondervinden vanwege zijn levensstijl en geloofsovertuiging. De IND (verweerder) achtte de identiteit, nationaliteit, herkomst en seculiere islamitische geloofsovertuiging van eiser geloofwaardig, maar wees de asielaanvraag toch af als ongegrond. De redenering was dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag aannemelijk had gemaakt. Het enkele feit van Syrische nationaliteit volstaat daartoe niet, en de gestelde bedreigingen en familieafwijzing werden niet als voldoende concreet aangemerkt om een reëel vervolgingsrisico te onderbouwen. De Rechtbank Den Haag heeft het beroep van eiser ongegrond verklaard en het besluit van de IND in stand gelaten. De rechtbank sluit zich aan bij de beoordeling dat het geloofwaardig achten van een (seculiere) geloofsovertuiging op zichzelf niet leidt tot vluchtelingenstatus; er dient tevens een concreet, individueel en aannemelijk risico op vervolging te bestaan. De uitkomst bevestigt de hoge bewijsdrempel in asielzaken waarbij godsdienstvervolging als asielmotief wordt aangevoerd. Eiser heeft de mogelijkheid om binnen één week hoger beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.