Bewaring asielzoeker verlengd onder artikel 59b Vreemdelingenwet
ECLI:NL:RBDHA:2025:25479, Rechtbank Den Haag, 30-12-2025, NL25.61247
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)bewaring, 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw 2000, 59b, derde lid verlenging, juiste grondslag, gronden voldoende, Zicht op uitzetting (vovo schorsende werking), lichter middel, geen strijd met 8EVRM, ongegrond.
Kern van de zaak
Een asielzoeker (eiser) is op 5 december 2025 in bewaring gesteld door de minister op grond van artikel 59b Vw 2000. Op 15 december 2025 verlengde de minister de bewaring met drie maanden. Eiser vecht deze verlengde bewaring aan bij de rechtbank.
Beslissing van de rechter
De rechtbank oordeelt dat de minister de bewaring op juiste grondslag heeft verlengd; eiser valt onder de categorie vreemdelingen van artikel 59b Vw 2000 en heeft sedert de asielbeschikking van 15 december 2025 rechtmatig verblijf gedurende de beroepstermijn. De uitspraak is onvolledig, waardoor de definitieve beslissing over de zware en lichte gronden niet volledig kan worden vastgesteld.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele bewaringszaak bij een rechtbank van eerste aanleg zonder aanwijsbare precedentwerking; de uitspraak is bovendien onvolledig, wat de juridische impact verder beperkt.
Belangrijkste punten
- 1Eiser is in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, onder b en c, Vw 2000 en de bewaring is verlengd op grond van artikel 59b, derde lid, Vw 2000.
- 2De rechtbank erkent dat eiser rechtmatig verblijf had gedurende zijn asielaanvraag en nog steeds heeft gedurende de beroepstermijn (art. 8, onder h, Vw 2000).
- 3De verlenging van bewaring wordt beschouwd als voortduring van de maatregel vanaf datum verlengingsbesluit.
- 4Eiser betwist zware gronden 3c en 3i en lichte grond 4c, onder meer stellend dat hij hoger beroep instelt en dat gebrek aan middelen inherent is aan de asielprocedure.
- 5De uitspraak is onvolledig waardoor de eindbeslissing over de rechtmatigheid van de gronden niet volledig kan worden beoordeeld.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een verlengingsbesluit ex artikel 59b, derde lid, Vw 2000 wordt aangemerkt als voortduring van de oorspronkelijke maatregel, en dat rechtmatig verblijf tijdens de beroepstermijn de toepasselijkheid van artikel 59b niet uitsluit. Omdat de uitspraak onvolledig is, kan de volledige juridische impact niet worden vastgesteld.
Praktische impact
Voor de eiser betekent de verlenging van de bewaring dat hij tot drie maanden langer gedetineerd kan blijven terwijl zijn asielprocedure loopt. De beoordeling van de zware en lichte gronden is bepalend voor zijn vrijheid.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken bevestigt deze uitspraak de toepassing van bewaringsbevoegdheden tijdens lopende asielprocedures, wat relevant is voor asielzoekers in een soortgelijke positie.
Samenvatting
In deze zaak bij de Rechtbank Den Haag staat de rechtmatigheid van de verlenging van een vreemdelingenbewaring centraal. De eiser, een Venezolaanse asielzoeker, werd op 5 december 2025 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59b, eerste lid, onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Nog voor het verstrijken van de maximale initiële bewaringstermijn verlengde de minister de bewaring bij besluit van 15 december 2025 met ten hoogste drie maanden, ditmaal gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, onder c, Vw 2000 jo. het derde lid. Eiser stelt beroep in tegen deze verlenging. De rechtbank oordeelt dat eiser behoort tot de categorie vreemdelingen waarop artikel 59b Vw 2000 van toepassing is. Gedurende zijn asielaanvraag had eiser rechtmatig verblijf, en na de asielbeschikking van 15 december 2025 heeft hij op grond van artikel 8, onder h, Vw 2000 rechtmatig verblijf gedurende de beroepstermijn en een eventueel tijdig in te dienen verzoek om een voorlopige voorziening. Voorts stelt de rechtbank vast dat de verlenging van de bewaring moet worden beschouwd als een voortduring van de oorspronkelijke maatregel, ingaand op de datum van het verlengingsbesluit. Eiser voert verweer tegen de zware gronden: ten aanzien van grond 3c erkent hij de feitelijke juistheid maar wijst hij op zijn lopende hoger beroepsprocedure tegen de eerdere asielbeschikking; ten aanzien van grond 3i stelt hij dat een verklaring over zijn wens niet terug te keren naar Venezuela niet impliceert dat hij zijn terugkeerplicht niet zal nakomen. Over lichte grond 4c merkt hij op dat het ontbreken van middelen van bestaan inherent is aan de positie van asielzoeker. De uitspraak is onvolledig, waardoor de definitieve beoordeling van de zware en lichte gronden en de eindbeslissing niet volledig kunnen worden vastgesteld. Op basis van de beschikbare tekst lijkt de rechtbank de verlengde bewaring in stand te laten.