Marokkaanse vrouw uitgesloten van tijdelijke bescherming Oekraïne
ECLI:NL:RBDHA:2025:18662, Rechtbank Den Haag, 09-10-2025, NL25.27972 (beroep) en NL25.9974 (voorlopige voorziening)
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Regulier - Richtlijn tijdelijke bescherming - derdelander - in geschil is of verweerder moet toetsen aan artikel 8 van het EVRM - hoorplicht - beroep ongegrond.
Kern van de zaak
Een Marokkaanse vrouw met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne claimt tijdelijke bescherming in Nederland op grond van de EU-Richtlijn 2001/55/EG. Zij beroept zich op haar huwelijk met een Oekraïense man en hun gezinsleven in Nederland. De IND weigerde de bescherming omdat zij geen permanente verblijfsvergunning in Oekraïne had en de relatie pas na het uitbreken van het conflict is ontstaan.
Beslissing van de rechter
Het beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard. Doorslaggevend is dat eiseres geen Oekraïense permanente verblijfsvergunning had die geldig was op 23 februari 2022, en dat de relatie met haar Oekraïense partner pas in januari 2023 is ontstaan, dus na het uitbreken van het conflict, waardoor zij niet als familielid in de zin van de richtlijn kwalificeert.
Impactscore
LaagDe uitspraak past de bestaande, vaste uitleg van de Richtlijn tijdelijke bescherming toe zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de casus is feitelijk bepaald en de uitkomst is in lijn met eerder beleid en jurisprudentie.
Belangrijkste punten
- 1Tijdelijke bescherming ex Richtlijn 2001/55/EG vereist een permanente Oekraïense verblijfsvergunning geldig op 23 februari 2022, waarover eiseres niet beschikte.
- 2Als familielid kwalificeren vereist een duurzame relatie vóór het uitbreken van het conflict (27 november 2021); de relatie ontstond pas in januari 2023.
- 3Het huwelijk, gesloten in 2024 (Spanje) en 2025 (Nederland), kan niet met terugwerkende kracht leiden tot kwalificatie als familielid ten tijde van het conflict.
- 4De rechtbank heeft de gestelde schending van de hoorplicht in bezwaar en het beroep op artikel 8 EVRM kennelijk onvoldoende bevonden om tot een ander oordeel te komen.
- 5Het verzoek om een voorlopige voorziening vervalt door de ongegrondverklaring van het beroep en is niet-ontvankelijk verklaard.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt een strikte uitleg van het temporele criterium in de Richtlijn tijdelijke bescherming: zowel de verblijfsstatus als de familierelatie moeten vóór het uitbreken van het conflict bestaan hebben. Huwelijken of relaties die ná de peildatum zijn ontstaan, leiden niet tot kwalificatie als begunstigde.
Praktische impact
Eiseres heeft geen recht op tijdelijke bescherming in Nederland en zal een andere verblijfstitel moeten aanvragen, bijvoorbeeld op grond van gezinshereniging of artikel 8 EVRM via een reguliere procedure. De afwijzing laat onverlet dat zij zich in een aparte procedure op haar huwelijk en gezinsleven kan beroepen.
Onderwerp-impact
Voor derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne die na het conflict een relatie zijn aangegaan met een Oekraïense onderdaan, biedt de richtlijn tijdelijke bescherming geen soelaas; zij zijn aangewezen op reguliere vreemdelingenrechtelijke procedures.
Samenvatting
Een Marokkaanse vrouw, geboren in 1999, verbleef sinds december 2018 op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne. Na het uitbreken van het conflict vluchtte zij naar Nederland en deed in augustus 2022 een beroep op tijdelijke bescherming op grond van de EU-Richtlijn 2001/55/EG. De IND wees dit verzoek af: eiseres beschikte niet over een permanente Oekraïense verblijfsvergunning die geldig was op 23 februari 2022, en zij kon evenmin als familielid worden aangemerkt omdat haar relatie met haar Oekraïense partner pas in januari 2023 — dus ruim na het uitbreken van het conflict op 27 november 2021 — in Nederland is ontstaan. In beroep voerde eiseres aan dat zij inmiddels met haar partner is getrouwd (in 2024 in Spanje en in 2025 in Nederland) en daarmee als gezinslid onder de richtlijn valt. Ook stelde zij dat verweerder haar aanvraag had moeten toetsen aan artikel 8 EVRM wegens haar gezinsleven in Nederland, en dat de hoorplicht in bezwaar was geschonden. Rechtbank Den Haag verwierp al deze gronden. De centrale juridische vraag was of eiseres op grond van haar huwelijk alsnog als familielid in de zin van de richtlijn kan worden aangemerkt. De rechtbank beantwoordde die vraag ontkennend: de richtlijn vereist dat de familierelatie bestond vóór het uitbreken van het conflict, en een relatie of huwelijk dat ná die peildatum is ontstaan, voldoet daar niet aan. Het beroep is ongegrond verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening, dat is ingediend als nevenprocedure, is niet-ontvankelijk verklaard nu het bodemgeschil is beslecht. De uitspraak biedt geen nieuwe rechtsontwikkeling maar bevestigt dat de temporele criteria van de Richtlijn tijdelijke bescherming strikt worden toegepast, ook wanneer betrokkenen nadien een formeel huwelijk hebben gesloten.