Hoge Raad verwerpt beroep op verdragsbehandeling dividenduitkering Aruba
ECLI:NL:HR:2026:956, Hoge Raad, 19-06-2026, 23/04888
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Arubaanse dividendbelasting in strijd met non-discriminatiebepaling van artikel XI, lid 1 dan wel 2, van het Vriendschapsverdrag met de VS (1956)? Verdragsinterpretatie; rechtstreekse werking.
Kern van de zaak
Een op Aruba gevestigde vennootschap (belanghebbende) deed een beroep op artikel XI, lid 1, van het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen Nederland en de VS (1956) om nationale behandeling te verkrijgen voor een dividenduitkering aan haar Amerikaanse moedermaatschappij (een LLC). De fiscus weigerde deze gunstige verdragsbehandeling, waarna belanghebbende in cassatie ging.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Doorslaggevend is dat de nationale behandeling waarop beroep werd gedaan, beoordeeld moet worden naar de fiscale behandeling die een vergelijkbare, naar Arubaans recht opgerichte en feitelijk in de VS gevestigde moedermaatschappij zou genieten, en dat aan die vergelijkingsmaatstaf niet is voldaan.
Impactscore
HoogDe Hoge Raad geeft een gezaghebbende uitleg aan de nationale behandelingsclausule van een bilateraal verdrag in een belastingcontext, wat relevant is voor alle concernstructuren met Aruba en de VS als betrokken jurisdicties.
Belangrijkste punten
- 1Artikel XI, lid 1, van het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart NL-VS (1956) biedt aanspraak op nationale behandeling bij op winst gerichte activiteiten.
- 2Het Hof oordeelde dat de (middellijke) zakelijke activiteiten van de LLC op Aruba vallen onder 'zakelijke activiteit' in de zin van het Verdrag, mede gelet op het actieve marktbeleid dat de LLC bepaalt.
- 3Toch slaagt het beroep op nationale behandeling niet: de referentiemaatstaf is de fiscale behandeling van een naar Arubaans recht opgerichte, maar feitelijk in de VS gevestigde moedermaatschappij.
- 4De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
- 5De uitspraak verduidelijkt de reikwijdte en toepassing van nationale behandelingsclausules in bilaterale investeringsverdragen in een belastingcontext.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt hoe de nationale behandelingsclausule in het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart NL-VS (1956) moet worden uitgelegd bij dividenduitkeringen vanuit Aruba aan Amerikaanse entiteiten. De Hoge Raad bevestigt dat de vergelijkingsmaatstaf strikt is: de referentie is een naar Arubaans recht opgerichte moedermaatschappij, niet slechts een vergelijkbare buitenlandse entiteit.
Praktische impact
Voor Amerikaanse vennootschappen (waaronder LLC's) die via een Arubaanse dochter dividend ontvangen, biedt het Verdrag van 1956 geen automatische belastingvoordelen. Structurering via een LLC leidt niet tot nationale behandeling zolang niet aan de strikte vergelijkingsmaatstaf is voldaan.
Onderwerp-impact
In de financiële dienstverlening en bij internationale concernstructuren met Aruba als tussenholding wordt de mogelijkheid om via het Verdrag NL-VS belastingvoordelen te claimen aanzienlijk ingeperkt.
Samenvatting
In deze zaak stond centraal of een op Aruba gevestigde vennootschap (belanghebbende) zich kon beroepen op de nationale behandelingsclausule van artikel XI, lid 1, van het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika van 27 maart 1956, teneinde een fiscaal gunstiger behandeling te verkrijgen voor een dividenduitkering aan haar Amerikaanse moedermaatschappij, een LLC. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie had eerder geoordeeld dat de LLC weliswaar (middellijk) zakelijke activiteiten verricht op Aruba in de zin van het Verdrag — mede omdat de LLC actief het marktbeleid van belanghebbende bepaalt — maar dat het beroep op nationale behandeling desondanks niet slaagt. Het Hof redeneerde dat de toepasselijke nationale behandeling moet worden bepaald aan de hand van de fiscale behandeling die een vergelijkbare, naar Arubaans recht opgerichte maar feitelijk in de VS gevestigde moedermaatschappij zou genieten. Aan die maatstaf voldeed de situatie van de LLC niet. De Hoge Raad laat dit oordeel in stand en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is van belang omdat zij de grenzen verduidelijkt van de nationale behandelingsclausule in het Verdrag NL-VS (1956) in een belastingrechtelijke context. Niet elke zakelijke activiteit van een Amerikaanse entiteit op Aruba leidt automatisch tot verdragsrechtelijke bescherming bij de heffing over dividenduitkeringen. De vergelijkingsmaatstaf — wat zou een naar Arubaans recht opgerichte moedermaatschappij ontvangen — fungeert als objectieve drempel. Dit heeft praktische gevolgen voor internationale concernstructuren die Aruba gebruiken als tussenhoudster richting de VS en daarbij aanspraak willen maken op verdragsvoordelen.