Cassatie WOZ-indexeringspercentages ongegrond verklaard door Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2026:949, Hoge Raad, 03-07-2026, 24/03073
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Art. 40, lid 2, Wet WOZ; indexeringspercentages en onderbouwing daarvan, ECLI:NL:HR:2026:297
Kern van de zaak
Een belastingplichtige stelde cassatie in tegen een uitspraak van het Hof over de inzageplicht van de heffingsambtenaar op grond van artikel 40 lid 2 Wet WOZ. De kern van het geschil betrof de vraag of indexeringspercentages en de onderbouwing daarvan onder de wettelijke informatieverplichting vallen bij de WOZ-waardebepaling.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Hoewel het middel terecht klaagt dat het Hof ten onrechte oordeelde dat indexeringspercentages in het algemeen buiten de reikwijdte van artikel 40 lid 2 Wet WOZ vallen, leidt dit niet tot cassatie omdat de heffingsambtenaar de gevraagde percentages al in de bezwaarfase had verstrekt; voor de onderbouwing verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest van 27 februari 2026.
Impactscore
MiddelHet arrest heeft beperkte zelfstandige impact omdat het voortbouwt op het al gewezen arrest van 27 februari 2026; het bevestigt die lijn maar stelt geen nieuwe rechtsregels.
Belangrijkste punten
- 1Indexeringspercentages vallen wél onder de reikwijdte van artikel 40 lid 2 Wet WOZ; het Hof oordeelde hierover onjuist.
- 2Het middel leidt desondanks niet tot cassatie omdat de heffingsambtenaar de percentages in de bezwaarfase al had verstrekt (geen procesbelang meer).
- 3De onderbouwing van indexeringspercentages valt niet onder artikel 40 lid 2 Wet WOZ, conform HR 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297 (r.o. 5.16.10).
- 4Klachten over het gebruik van transactiedata zijn tardief: nieuwe feitelijke stellingen kunnen niet voor het eerst in cassatie worden aangevoerd.
- 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad bevestigt dat indexeringspercentages in beginsel onder de WOZ-inzageplicht vallen, maar de onderbouwing daarvan niet; dit sluit aan bij het richtinggevende arrest van 27 februari 2026 en verduidelijkt de grenzen van artikel 40 lid 2 Wet WOZ.
Praktische impact
Belastingplichtigen kunnen de heffingsambtenaar verplichten tot verstrekking van indexeringspercentages in het kader van een WOZ-bezwaar, maar hebben geen recht op de volledige onderbouwing of methodologische verantwoording daarvan.
Onderwerp-impact
Voor de vastgoedpraktijk en WOZ-procedures betekent dit dat gemeentelijke heffingsambtenaren indexeringspercentages tijdig in de bezwaarfase moeten verstrekken, maar niet gehouden zijn tot verdere toelichting van de wijze van indexering.
Samenvatting
In deze procedure stond centraal of een heffingsambtenaar op grond van artikel 40 lid 2 van de Wet WOZ verplicht is om bij de onderbouwing van een WOZ-beschikking ook indexeringspercentages én de onderbouwing daarvan te verstrekken. De belastingplichtige had in bezwaar en beroep verzocht om inzage in deze gegevens, die door de heffingsambtenaar waren gehanteerd bij de waardebepaling via de vergelijkingsmethode. Het Hof Arnhem-Leeuwarden had geoordeeld dat indexeringspercentages in het algemeen buiten de reikwijdte van de informatieverplichting vallen, en ook dat de onderbouwing van die percentages niet onder artikel 40 lid 2 Wet WOZ valt. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ten aanzien van het eerste punt onjuist heeft beslist: indexeringspercentages vallen wél in beginsel onder de informatieverplichting van artikel 40 lid 2 Wet WOZ. Dit onderdeel van het middel is dan ook terecht voorgesteld. Desondanks leidt dit niet tot cassatie, omdat de heffingsambtenaar de gevraagde indexeringspercentages reeds in de bezwaarfase had verstrekt. Er bestaat daardoor geen procesbelang meer bij vernietiging van de uitspraak op dit punt. Ten aanzien van de onderbouwing van de indexeringspercentages sluit de Hoge Raad aan bij zijn arrest van 27 februari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:297, r.o. 5.16.10), waarin is bepaald dat deze onderbouwing niet onder de reikwijdte van artikel 40 lid 2 Wet WOZ valt. Het middel faalt op dit punt. Tot slot worden klachten over het gebruik van transactiedata door de heffingsambtenaar tardief verklaard: dergelijke feitelijke stellingen kunnen niet voor het eerst in cassatie worden aangevoerd. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.