Hoge Raad stelt immateriële schadevergoeding overschrijding redelijke termijn vast op €500
ECLI:NL:HR:2026:916, Hoge Raad, 12-06-2026, 24/03012
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg; vergoeding immateriële schade door Hof gematigd van € 500 naar € 50, ECLI:NL:HR:2025:1122
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (belanghebbende) klaagde over de hoogte van de door het Hof toegekende vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. Het Hof had een vergoeding vastgesteld die volgens de Hoge Raad niet klopte.
Beslissing van de rechter
Het cassatieberoep is gegrond verklaard en de uitspraak van het Hof is vernietigd voor zover het de immateriële schadevergoeding betreft. De Hoge Raad heeft de vergoeding zelf vastgesteld op €500, omdat de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim twee maanden was overschreden, in lijn met het arrest HR 8 augustus 2025, ECLI:NL:HR:2025:1122.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande jurisprudentie (HR 2025) toe zonder nieuwe rechtsregels te stellen; de rechtsontwikkelende waarde is gering en het betreft een beperkt financieel belang van €500.
Belangrijkste punten
- 1Het Hof had de vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn onjuist vastgesteld.
- 2De Hoge Raad verwijst voor de beoordeling van de hoogte van immateriële schadevergoeding naar HR 8 augustus 2025, ECLI:NL:HR:2025:1122, r.o. 4.2.1-4.2.3.
- 3Bij een overschrijding van ruim twee maanden bedraagt de standaardvergoeding €500.
- 4Het Hof had het tarief van €500 per half jaar kennelijk verkeerd toegepast, wat tot overcompensatie zou leiden.
- 5De Staat (Minister van Justitie en Veiligheid) wordt veroordeeld in proceskosten en terugbetaling griffierecht van €138.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak bevestigt de door de Hoge Raad in augustus 2025 uitgezette lijn over de berekening van immateriële schadevergoedingen bij overschrijding van de redelijke termijn en corrigeert een onjuiste toepassing van het halfjaarlijkse tarief van €500. De uitspraak heeft beperkte zelfstandige rechtsontwikkelende waarde nu zij uitdrukkelijk terugverwijst naar het eerder gewezen richtinggevende arrest.
Praktische impact
Belastingplichtigen wier zaak langer dan de redelijke termijn heeft geduurd, kunnen aanspraak maken op een vergoeding van €500 per (half jaar) overschrijding, maar een hogere vergoeding op basis van een onjuiste toepassing van dit tarief wordt gecorrigeerd. Het beperkte bedrag van €500 bij een overschrijding van ruim twee maanden illustreert de relatief lage compensatie bij kortdurende termijnoverschrijdingen.
Onderwerp-impact
Voor belastingprocedures verduidelijkt deze uitspraak dat een overschrijding van de redelijke termijn met ruim twee maanden leidt tot een vergoeding van €500, en dat een hogere vergoeding op basis van het halfjaarstarief niet automatisch gerechtvaardigd is bij kortere overschrijdingen.
Samenvatting
In deze cassatieprocedure stond de hoogte van de vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting centraal. Het gerechtshof had eerder een vergoeding toegekend aan de belastingplichtige (belanghebbende), maar de Hoge Raad oordeelde dat deze vergoeding niet juist was vastgesteld. Volgens de Hoge Raad zou het hanteren van het tarief van €500 per half jaar in dit geval leiden tot een evident ongerechtvaardigde overcompensatie. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep gegrond en vernietigde de uitspraak van het Hof voor zover het de immateriële schadevergoeding betrof. Daarbij werd verwezen naar het eerder gewezen arrest van 8 augustus 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1122), waarin de Hoge Raad normen heeft gesteld voor de berekening van dit soort vergoedingen. Nu de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim twee maanden was overschreden, stelde de Hoge Raad de vergoeding zelf vast op €500. De overige cassatieklachten werden verworpen zonder nadere motivering op grond van artikel 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie, nu beantwoording van die klachten niet nodig was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. De Staat werd veroordeeld in de proceskosten van het geding in cassatie en diende het betaalde griffierecht van €138 terug te betalen. Deze uitspraak heeft beperkte zelfstandige precedentwaarde, maar bevestigt dat rechters het halfjaarlijkse tarief van €500 niet mechanisch mogen toepassen bij kortdurende termijnoverschrijdingen en dat de Hoge Raad bereid is de zaak zelf af te doen om proceseconomische redenen.