JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:729Laag18/100

Hoge Raad verwerpt cassatie over toepasselijke socialezekerheidswetgeving

ECLI:NL:HR:2026:729, Hoge Raad, 01-05-2026, 22/02814

Hoge RaadUitspraak: 1 mei 2026Publicatie: 30 april 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:22/02814
Bestuursprocesrecht
Europees bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Overheid
Verzekering
Cassatie
Prejudiciele Vraag
Svb
Sociale Verzekering
Toepasselijk Recht

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Artikel 53 AOW.

Kern van de zaak

Een belanghebbende betwistte voor de Hoge Raad het oordeel van de Centrale Raad van Beroep dat de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving op hem van toepassing is. De Sociale Verzekeringsbank stond tegenover hem. De zaak draaide om de vraag welk nationaal socialezekerheidsstelsel van toepassing is, mogelijk met een Unierechtelijke dimensie.

Beslissing van de rechter

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. De klachten tegen het oordeel over de toepasselijkheid van de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving falen omdat zij uitsluitend feitelijke vaststellingen aanvechten, waarover in cassatie niet met succes kan worden geklaagd. Ook de overige klachten kunnen niet tot vernietiging leiden, en een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie is niet nodig.

18van 100

Impactscore

Laag

De Hoge Raad doet de zaak af op art. 81 RO en bevestigt standaard cassatierechtelijke uitgangspunten zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden of fundamentele regels te stellen; de precedentwaarde is daardoor minimaal.

Belangrijkste punten

  • 1Klachten over feitelijke vaststellingen van de Centrale Raad van Beroep zijn niet ontvankelijk in cassatie
  • 2Geen aanleiding voor een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie omdat het Unierechtelijke antwoord niet relevant is voor de cassatiebeslissing
  • 3Overige klachten worden verworpen met toepassing van artikel 81 lid 1 Wet RO (geen motiveringsplicht)
  • 4Geen proceskostenveroordeling uitgesproken
  • 5De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2022:1239) blijft in stand

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat feitelijke oordelen van de Centrale Raad van Beroep in cassatie niet aantastbaar zijn, en dat een prejudiciële verwijzing naar het HvJ EU achterwege blijft als de feitelijke grondslag het Unierechtelijke debat irrelevant maakt. Als Hoge Raad-arrest heeft het beperkte precedentwerking doordat het op art. 81 RO is afgedaan.

Praktische impact

Voor de belanghebbende betekent deze uitspraak dat de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving onherroepelijk op hem van toepassing is verklaard en dat verdere rechtsmiddelen zijn uitgeput. De SVB-beslissing heeft daarmee definitieve rechtskracht.

Onderwerp-impact

In sociale-zekerheidsgeschillen met een grensoverschrijdend element wordt opnieuw bevestigd dat discussie over de toepasselijke wetgeving in cassatie feitelijk is afgebakend; partijen dienen dergelijke stellingen volledig in de feitelijke instanties uit te diepen.

Samenvatting

In deze cassatieprocedure stond de vraag centraal of de Centrale Raad van Beroep terecht had geoordeeld dat de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving van toepassing is op de belanghebbende. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) had eerder vastgesteld dat de belanghebbende onder het Nederlandse stelsel valt, en de Centrale Raad bevestigde dit oordeel in zijn uitspraak van 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:1239). De belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad en voerde daartegen meerdere klachten aan, waaronder mogelijk een beroep op Unierechtelijke bepalingen over de coördinatie van socialezekerheidsstelsels. De Hoge Raad verwerpt alle klachten. Ten aanzien van de klachten over de toepasselijkheid van de Nederlandse wetgeving overweegt de Raad dat deze uitsluitend gericht zijn tegen feitelijke vaststellingen van de Centrale Raad. In cassatie kan over dergelijke feitelijke oordelen niet met succes worden geklaagd; de cassatierechter toetst immers slechts rechtsvragen. Omdat de feitelijke grondslag niet ter discussie kan staan, is een eventueel antwoord op vragen over de uitlegging of geldigheid van Unierechtelijke bepalingen niet relevant voor de uitkomst van het geding in cassatie. Om die reden bestaat geen aanleiding een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De overige cassatieklachten worden afgedaan met toepassing van artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie. Dit artikel laat de Hoge Raad toe een oordeel zonder nadere motivering te geven wanneer de klachten geen vragen oproepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep staat daarmee onherroepelijk vast.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 3 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00945

Hoge Raad11 sep 2026OverheidVastgoed
5/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1440Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1440, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00139

Hoge Raad11 sep 2026OverheidHandhaving
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1466Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1466, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/01038

Hoge Raad11 sep 2026ZorgFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1439Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1439, Hoge Raad, 11-09-2026, 25/03570

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied