JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1663Laag28/100

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

ECLI:NL:HR:2026:1663, Hoge Raad, 09-10-2026, 26/01533

Hoge RaadUitspraak: 9 oktober 2026Publicatie: 9 oktober 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:26/01533
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Europees bestuursrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
Niet Ontvankelijkheid
Cassatie
Prejudiciele Vragen
Griffierecht
Eu Handvest

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Kern van de zaak

Een belanghebbende stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. Het griffierecht werd niet betaald ondanks aanmaning. Belanghebbende betoogde dat voorafgaande betaling van griffierecht op straffe van niet-ontvankelijkheid in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest.

Beslissing van de rechter

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. Het argument dat het griffierrechtstelsel in strijd is met het EU-Handvest en dat prejudiciële vragen gesteld moeten worden, wordt verworpen onder verwijzing naar een eerder arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915).

28van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak is een bevestiging van een reeds eerder door de Hoge Raad ingenomen standpunt (HR 12 juni 2026) en stelt geen nieuwe rechtsregels; de zaak is procedureel van aard en heeft beperkte zelfstandige precedentwerking.

Belangrijkste punten

  • 1Griffierecht niet voldaan na aanmaning per aangetekende brief en digitaal bericht in het dossier.
  • 2Belanghebbende beriep zich op artikel 47 EU-Handvest (recht op effectieve rechtsbescherming) en stelde dat voorafgaande heffing onevenredig is ten opzichte van heffing achteraf bij ongegrond beroep.
  • 3De Hoge Raad ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie, conform het arrest HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915.
  • 4Niet-ontvankelijkverklaring volgt dwingend uit artikel 8:41 lid 6 Awb bij onbetaald griffierecht.
  • 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Impactanalyse

Juridische impact

De Hoge Raad bevestigt de lijn uit het arrest van 12 juni 2026 dat het Nederlandse griffierechtenstelsel niet in strijd is met artikel 47 EU-Handvest en dat prejudiciële vragen hierover niet nodig zijn. Dit sluit verdere aanvechting van de griffierechtplicht op EU-rechtelijke gronden vooralsnog af.

Praktische impact

Belastingplichtigen die cassatieberoep instellen moeten tijdig griffierecht betalen; het niet voldoen leidt onvermijdelijk tot niet-ontvankelijkheid, ook als EU-rechtelijke bezwaren worden aangevoerd.

Onderwerp-impact

Voor belastingzaken betekent dit dat de drempel van griffierecht als procesvereiste onverkort geldt, zonder de mogelijkheid dit te omzeilen via een beroep op het EU-Handvest.

Samenvatting

In deze zaak had een belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 26 februari 2026. De griffier van de Hoge Raad wees de belanghebbende per aangetekende brief op de verplichting griffierecht te betalen en stelde daarvoor een termijn van vier weken. Ondanks de bezorging van die brief en een aanvullend digitaal bericht in het dossier bleef betaling uit. Nadat de belanghebbende de gelegenheid kreeg te reageren, voerde hij aan dat het stelsel van voorafgaande griffierechtheffing op straffe van niet-ontvankelijkheid in strijd is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 52 van dat Handvest. Hij stelde dat heffing achteraf bij een ongegrond beroep een veel evenrediger alternatief is en verzocht de Hoge Raad hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU. De Hoge Raad verwierp dit betoog. Onder verwijzing naar de rechtsoverwegingen in zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) oordeelde de Hoge Raad dat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen. Het Nederlandse griffierechtenstelsel, zoals neergelegd in artikel 8:41 Awb, is daarmee niet in strijd met het EU-Handvest bevonden. Nu het griffierecht niet was voldaan, volgde niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. De Hoge Raad zag geen reden een proceskostenveroordeling uit te spreken. De uitspraak bevestigt de bestaande rechtspraak en stelt geen nieuwe regels, maar sluit de EU-rechtelijke aanvalsroute tegen het griffierechtenstelsel verder af.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 9 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

Hoge Raad·9 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1661

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

18/100Bekijk
Hoge Raad·9 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1648

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens schending digitaal procederen

18/100Bekijk
Hoge Raad·9 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1656

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

28/100Bekijk
Hoge Raad·9 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1662

Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied