JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1656Laag28/100

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

ECLI:NL:HR:2026:1656, Hoge Raad, 09-10-2026, 26/01522

Hoge RaadUitspraak: 9 oktober 2026Publicatie: 9 oktober 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:26/01522
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Europees bestuursrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
Niet Ontvankelijkheid
Cassatie
Prejudiciele Vragen
Griffierecht
Eu Handvest

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Kern van de zaak

Een belastingplichtige (belanghebbende) stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. Na het uitblijven van betaling van het griffierecht stelde belanghebbende dat voorafgaande betaling van griffierecht in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest en dat de Hoge Raad hierover prejudiciële vragen moet stellen aan het Hof van Justitie.

Beslissing van de rechter

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb, omdat het griffierecht niet is betaald. De Hoge Raad ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen, onder verwijzing naar zijn eerdere arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) waarin de verenigbaarheid van het griffierechtenstelsel met het EU-Handvest reeds is beoordeeld.

28van 100

Impactscore

Laag

Het arrest is een routinematige toepassing van bestaande rechtspraak (verwijzing naar ECLI:NL:HR:2026:915) en stelt geen nieuwe rechtsregels; de juridische en praktische reikwijdte is beperkt tot bevestiging van de bestaande griffierechtenpraktijk.

Belangrijkste punten

  • 1Griffierecht werd niet betaald binnen de gestelde termijn van vier weken na aangetekende kennisgeving.
  • 2Belanghebbende betoogde dat voorafgaande griffierechtheffing in strijd is met artikel 47 jo. artikel 52 EU-Handvest en pleitte voor achteraf heffen bij ongegrond beroep.
  • 3De Hoge Raad verwees naar zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) en zag geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU.
  • 4Niet-ontvankelijkverklaring volgt dwingend uit artikel 8:41 lid 6 Awb bij niet-betaling griffierecht.
  • 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Impactanalyse

Juridische impact

De Hoge Raad bevestigt zijn lijn uit het arrest van 12 juni 2026 dat het Nederlandse griffierechtenstelsel niet in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest en dat hierover geen prejudiciële vragen hoeven te worden gesteld. Dit sluit de deur voor vergelijkbare betogen in toekomstige procedures.

Praktische impact

Belastingplichtigen en andere procespartijen die cassatieberoep instellen, worden opnieuw gewaarschuwd dat het niet (tijdig) betalen van griffierecht onherroepelijk leidt tot niet-ontvankelijkheid, ook als zij EU-grondrechtelijke bezwaren aanvoeren.

Onderwerp-impact

Voor de belastingpraktijk bevestigt dit arrest dat procedurele vereisten zoals griffierecht strikt worden gehandhaafd, ongeacht de inhoudelijke merites van het geschil of aangedragen grondrechtelijke argumenten.

Samenvatting

In deze procedure had een belastingplichtige cassatieberoep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam in een belastingzaak (nrs. 25/571 t/m 25/574). De griffier van de Hoge Raad stelde de belanghebbende bij aangetekende brief in de gelegenheid het verschuldigde griffierecht te betalen binnen vier weken. De brief werd aantoonbaar afgeleverd, maar het griffierecht bleef onbetaald. Nadat belanghebbende via het digitale dossier een nadere gelegenheid werd geboden te verklaren waarom niet was betaald, reageerde hij met het betoog dat de verplichting om griffierecht vooraf te betalen op straffe van niet-ontvankelijkheid in strijd is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 52 van dat Handvest. Naar zijn opvatting zou een stelsel waarbij griffierecht pas achteraf wordt geheven bij een ongegrond beroep, veel evenrediger zijn dan de huidige regeling van artikel 8:41 Awb. Belanghebbende drong er bij de Hoge Raad op aan hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De Hoge Raad verwierp dit betoog en verwees naar zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915), waarin hij op vergelijkbare gronden reeds had geoordeeld dat het Nederlandse griffierechtenstelsel niet in strijd is met het EU-Handvest en dat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen. Nu het griffierecht niet was betaald en het betoog van belanghebbende geen grond bood voor het oordeel dat hij niet in verzuim was geweest, verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. Proceskosten werden niet toegewezen. Het arrest bevestigt de harde werking van de griffierechtenverplichting in cassatieprocedures en sluit de deur voor EU-grondrechtelijke omzelingspogingen op dit punt.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 9 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

Hoge Raad·9 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1661

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

18/100Bekijk
Hoge Raad·9 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1648

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens schending digitaal procederen

18/100Bekijk
Hoge Raad·9 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1662

Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

28/100Bekijk
Hoge Raad·9 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1637

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep belastingzaak zonder motivering

5/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied