Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1661, Hoge Raad, 09-10-2026, 26/01531
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belanghebbende stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. Het verschuldigde griffierecht werd niet betaald, waarna belanghebbende betoogde dat de verplichting tot vooraf betalen van griffierecht in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest van de grondrechten.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens het niet betalen van griffierecht. Het betoog dat voorafgaande griffierechtheffing in strijd is met artikel 47 EU-Handvest vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest, en er bestaat geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Impactscore
LaagHet arrest bevat geen nieuwe rechtsontwikkeling maar bevestigt reeds in HR 12 juni 2026 neergelegde regels over griffierecht en het EU-Handvest; de uitkomst is procedureel van aard en betreft een standaardtoepassing van artikel 8:41 lid 6 Awb.
Belangrijkste punten
- 1Griffierecht niet voldaan binnen gestelde termijn van vier weken ondanks aangetekende kennisgeving
- 2Belanghebbende betoogde dat voorafgaande griffierechtheffing onevenredig is en in strijd met artikel 47 EU-Handvest juncto artikel 52 EU-Handvest
- 3Hoge Raad verwijst naar eigen arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) voor de afwijzing van het EU-Handvest-argument
- 4Geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over griffierecht
- 5Niet-ontvankelijkheid volgt uit artikel 8:41 lid 6 Awb
Impactanalyse
Juridische impact
Dit arrest bevestigt de vaste lijn van de Hoge Raad dat de verplichte voorafgaande griffierechtheffing ex artikel 8:41 Awb niet in strijd is met artikel 47 EU-Handvest en dat prejudiciële vragen hierover niet nodig zijn. De uitspraak heeft beperkte zelfstandige precedentwerking nu zij terugvalt op het eerder gewezen arrest HR 12 juni 2026.
Praktische impact
Belastingplichtigen en andere procespartijen die cassatieberoep instellen dienen er rekening mee te houden dat het niet tijdig betalen van griffierecht onherroepelijk leidt tot niet-ontvankelijkheid, ongeacht argumenten over EU-grondrechten.
Onderwerp-impact
Voor belastingprocedures bevestigt dit arrest dat financiële drempels in de vorm van griffierecht als toegangsvoorwaarde tot de cassatierechter standhouden, ook wanneer EU-grondrechtelijke bezwaren worden opgeworpen.
Samenvatting
In deze zaak stelde een belanghebbende cassatieberoep in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 26 februari 2026. Na aangetekende kennisgeving van de griffier over het verschuldigde griffierecht bleef betaling binnen de gestelde termijn van vier weken uit. Nadat belanghebbende in de gelegenheid was gesteld de reden van niet-betaling toe te lichten, voerde hij aan dat de wettelijke plicht tot voorafgaande betaling van griffierecht als ontvankelijkheidsvoorwaarde in strijd is met het recht op een doeltreffende rechterlijke bescherming zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 52 daarvan. Naar de mening van belanghebbende zou het Hof van Justitie oordelen dat griffierecht pas achteraf – bij een ongegrond beroep – geheven mag worden als meer evenredige maatregel. Belanghebbende achtte de Hoge Raad verplicht hierover prejudiciële vragen te stellen. De Hoge Raad verwerpt dit betoog en verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. Voor de inhoudelijke motivering verwijst de Hoge Raad naar zijn eerder gewezen arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915), waarin in rechtsoverwegingen 3.1.3 tot en met 3.4 reeds uitgebreid is uiteengezet waarom de Nederlandse griffierechtsystematiek niet in strijd is met het EU-Handvest en waarom er geen aanleiding bestaat voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. Het argument van belanghebbende levert dan ook geen grond op voor het oordeel dat hij niet in verzuim is geweest. Het arrest is een bevestiging van bestaande rechtspraak en heeft geen zelfstandige precedentwerking van betekenis.