Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens schending digitaal procederen
ECLI:NL:HR:2026:1648, Hoge Raad, 09-10-2026, 26/01175
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een beroepsmatig rechtsbijstandverlener stelde via aangetekende brief beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (17 februari 2026). De griffier wees de indiener erop dat digitaal procederen verplicht is en gaf zes weken om het beroepschrift alsnog via het webportaal in te dienen. Aan dit verzoek werd geen gehoor gegeven.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:36a lid 5 Awb. De doorslaggevende reden is dat de beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener verplicht was digitaal te procederen via het webportaal van de Hoge Raad, dit heeft nagelaten en evenmin gehoor heeft gegeven aan het herstelverzoek van de griffier.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een routinematige niet-ontvankelijkverklaring wegens schending van een bekende procedurele verplichting en stelt geen nieuwe rechtsregels; de bevestiging van de digitaleprocederingsplicht is al vaste praktijk.
Belangrijkste punten
- 1Beroepsmatig optredende rechtsbijstandverleners zijn op grond van het Besluit van 6 maart 2019 (Stb. 2020, 99) verplicht digitaal te procederen bij de Hoge Raad.
- 2Indiening per aangetekende brief voldoet niet aan de digitaleprocederingsplicht; het beroepschrift had via het webportaal van de Hoge Raad moeten worden ingediend.
- 3De griffier bood de indiener een herstelmogelijkheid van zes weken; de aangetekende brief werd afgehaald maar aan het verzoek werd geen gevolg gegeven.
- 4Niet-herstel binnen de gestelde termijn leidt dwingend tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 8:36a lid 5 Awb.
- 5De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strenge toepassing van de digitaleprocederingsplicht voor professionele rechtsbijstandverleners: nalaten van digitale indiening én het niet benutten van de geboden hersteltermijn leidt onherroepelijk tot niet-ontvankelijkheid. Dit sluit aan bij vaste jurisprudentie over artikel 8:36a Awb.
Praktische impact
Rechtsbijstandverleners worden nogmaals gewaarschuwd dat het indienen van processtukken per post bij de Hoge Raad fatale gevolgen heeft; het missen van de hersteltermijn sluit de deur definitief voor inhoudelijke beoordeling van het cassatieberoep.
Onderwerp-impact
Voor partijen in belastingzaken (de onderliggende procedure betreft nummers BK-24/1010 en BK-24/1011 bij Hof Den Haag) betekent dit dat de hofuitspraak van 17 februari 2026 onherroepelijk is geworden zonder inhoudelijke toetsing door de Hoge Raad.
Samenvatting
In deze zaak had een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 17 februari 2026 (zaaknummers BK-24/1010 en BK-24/1011), vermoedelijk een belastingzaak. Het beroepschrift werd echter per aangetekende brief ingediend in plaats van via het verplichte webportaal van de Hoge Raad. Op grond van het Besluit van 6 maart 2019 (Staatsblad 2020, 99), dat de gedeeltelijke inwerkingtreding regelt van de Wet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht, zijn beroepsmatig optredende rechtsbijstandverleners verplicht digitaal te procederen. De griffier van de Hoge Raad stuurde de indiener op 10 april 2026 een aangetekende brief met het verzoek het beroepschrift binnen zes weken alsnog digitaal in te dienen. Uit Track & Trace-gegevens van PostNL bleek dat deze brief op de afhaallocatie was afgehaald, zodat aangenomen werd dat de indiener van het verzoek op de hoogte was. Desondanks werd het beroepschrift niet via het webportaal ingediend. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:36a lid 5 Awb. Nu de indiener zowel de initiële digitaleprocederingsplicht als de geboden herstelmogelijkheid heeft genegeerd, is er geen ruimte voor verdere behandeling. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is procedureel van aard en stelt geen nieuwe rechtsregels. Zij bevestigt dat de digitaleprocederingsplicht voor professionele rechtsbijstandverleners strikt wordt gehandhaafd: een verkeerde indieningswijze én het missen van de hersteltermijn resulteren onvermijdelijk in niet-ontvankelijkheid. De hofuitspraak is daarmee onherroepelijk geworden zonder inhoudelijke toetsing in cassatie. Voor de rechtspraktijk dient deze uitspraak als waarschuwing om de digitale indieningsregels bij de Hoge Raad nauwgezet na te leven.