Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1662, Hoge Raad, 09-10-2026, 26/01532
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, maar betaalde het verschuldigde griffierecht niet. Ter verweer voerde belanghebbende aan dat vooraf heffen van griffierecht op straffe van niet-ontvankelijkheid in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest en dat de Hoge Raad hierover prejudiciële vragen aan het HvJ EU diende te stellen.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU, nu dit reeds is beslist in het arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915), en het verweer van belanghebbende levert geen grond op voor het oordeel dat zij niet in verzuim is geweest.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een routinematige niet-ontvankelijkverklaring wegens het niet betalen van griffierecht en voegt weinig toe aan reeds bestaande rechtspraak; de Hoge Raad verwijst slechts naar zijn arrest van 12 juni 2026 zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden.
Belangrijkste punten
- 1Niet-betaling van griffierecht binnen de gestelde termijn leidt tot niet-ontvankelijkheid op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb
- 2Belanghebbende betoogde dat vooraf heffen van griffierecht in strijd is met artikel 47 EU-Handvest juncto artikel 52 EU-Handvest
- 3De Hoge Raad verwijst naar zijn eigen arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) waarin de verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen reeds is afgewezen
- 4Het argument dat griffierecht pas achteraf bij ongegrond beroep mag worden geheven wordt verworpen
- 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad bevestigt zijn eerdere rechtspraak dat de Nederlandse griffierechtregeling van artikel 8:41 Awb niet in strijd is met artikel 47 EU-Handvest en dat hierover geen prejudiciële vragen aan het HvJ EU gesteld hoeven te worden. Dit sluit de deur voor procespartijen die via dit argument griffierecht willen omzeilen.
Praktische impact
Belastingplichtigen en andere rechtzoekenden die cassatieberoep instellen, moeten tijdig griffierecht betalen; het niet voldoen hieraan leidt onherroepelijk tot niet-ontvankelijkheid, ook als zij Europeesrechtelijke bezwaren aanvoeren tegen de griffierechtplicht.
Onderwerp-impact
Voor de belastingpraktijk bevestigt deze uitspraak dat het procederen bij de Hoge Raad op dit punt geen uitzonderingspositie kent ten opzichte van andere procedures, en dat Europeesrechtelijke argumenten ter zake van griffierecht vooralsnog geen gehoor vinden.
Samenvatting
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 9 oktober 2026 uitspraak gedaan in een belastingprocedure waarbij belanghebbende cassatieberoep had ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 26 februari 2026. De griffier van de Hoge Raad had belanghebbende bij aangetekende brief van 29 mei 2026 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld. Uit Track & Trace-gegevens bleek de brief te zijn afgeleverd op het opgegeven adres, maar het griffierecht werd niet voldaan. Na een herstelmogelijkheid op 30 juni 2026 reageerde belanghebbende op 8 juli 2026 met het verweer dat de Nederlandse griffierechtregeling — waarbij griffierecht vooraf op straffe van niet-ontvankelijkheid moet worden betaald — onverenigbaar is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 52. Belanghebbende betoogde dat een evenrediger systeem bestaat waarbij griffierecht pas achteraf wordt geheven bij een ongegrond beroep, en verzocht de Hoge Raad hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De Hoge Raad verwierp dit verweer volledig. Onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 3.1.3 tot en met 3.4 van zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) oordeelde de Hoge Raad dat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen. Het door belanghebbende aangevoerde levert geen grond op voor het oordeel dat zij niet in verzuim is geweest. Gevolg hiervan is dat het beroep in cassatie op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb niet-ontvankelijk wordt verklaard. De Hoge Raad ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt daarmee de bestendigde lijn dat de Nederlandse griffierechtplicht in belastingzaken stand houdt tegenover Europeesrechtelijke bezwaren.