Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1659, Hoge Raad, 09-10-2026, 26/01527
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. Het griffierecht werd niet betaald, waarna belanghebbende betoogde dat de verplichting tot vooraf betalen van griffierecht in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb, omdat het griffierecht niet tijdig is voldaan. Het beroep op strijd met artikel 47 EU-Handvest en het verzoek om prejudiciële vragen aan het HvJEU te stellen worden verworpen onder verwijzing naar HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915.
Impactscore
LaagHet arrest is een herhaling van een reeds in juni 2026 uitgezette lijn en bevat geen nieuwe rechtsontwikkeling; het betreft een procesrechtelijke afdoening zonder inhoudelijke beoordeling van het belastinggeschil.
Belangrijkste punten
- 1Griffierecht niet betaald binnen de gestelde termijn van vier weken na aangetekende kennisgeving
- 2Belanghebbende betoogt dat vooraf heffen van griffierecht op straffe van niet-ontvankelijkheid in strijd is met artikel 47 jo. artikel 52 EU-Handvest
- 3Hoge Raad ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU, verwijzend naar HR 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915)
- 4De stelling dat achteraf heffen bij ongegrond beroep evenrediger zou zijn, wordt verworpen
- 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad bevestigt zijn lijn uit HR 12 juni 2026 dat de griffierechtregeling van artikel 8:41 Awb niet in strijd is met artikel 47 EU-Handvest en dat prejudiciële vragen op dit punt niet aangewezen zijn. Dit sluit een bekende ontwijkingsstrategie rond griffierecht definitief af.
Praktische impact
Belastingplichtigen die cassatie instellen moeten griffierecht tijdig vooraf betalen; het niet-betalen leidt onvermijdelijk tot niet-ontvankelijkheid, ook als zij een beroep doen op EU-grondrechten.
Onderwerp-impact
Voor belastingzaken bevestigt dit arrest dat de drempel van vooraf te betalen griffierecht als toegangsvoorwaarde voor cassatie in stand blijft, zonder ruimte voor alternatieve heffingsmomenten.
Samenvatting
In deze zaak had een belastingplichtige beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam (nrs. 25/470 t/m 25/478). De griffier van de Hoge Raad stuurde op 29 mei 2026 een aangetekende brief met het verzoek griffierecht te betalen binnen vier weken. De brief werd afgeleverd op het opgegeven adres, maar het griffierecht bleef onbetaald. Na een herstelmogelijkheid op 30 juni 2026 liet belanghebbende via het webportaal weten dat hij de betalingsplicht in strijd acht met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU, gelezen in samenhang met artikel 52. Zijn redenering was dat het veel evenrediger zou zijn om griffierecht pas achteraf te heffen, namelijk alleen bij een ongegrond beroep, en dat de Hoge Raad verplicht zou zijn hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU. De Hoge Raad gaat hier niet in mee. Onder verwijzing naar zijn eerder arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915), waarin de relevante gronden uitvoerig zijn uiteengezet, oordeelt de Hoge Raad dat er geen aanleiding bestaat om prejudiciële vragen te stellen. De stelling van belanghebbende levert geen grond op voor het oordeel dat hij niet in verzuim is geweest. Op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb wordt het beroep in cassatie dan ook niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest illustreert dat de verplichte voorafbetaling van griffierecht als toegangsdrempel voor de cassatieprocedure door de Hoge Raad als EU-rechtelijk houdbaar wordt beschouwd, en dat creatieve argumenten om deze drempel te omzeilen – ook via het EU-Handvest – geen kans maken nu de Hoge Raad deze kwestie als definitief afgedaan beschouwt.