Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1658, Hoge Raad, 09-10-2026, 26/01526
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. Het verschuldigde griffierecht werd niet betaald, waarna belanghebbende betoogde dat vooraf heffen van griffierecht in strijd is met artikel 47 EU-Handvest en vroeg om prejudiciële vragen aan het HvJ EU.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens het niet-betalen van griffierecht. De doorslaggevende reden is dat de aangevoerde EU-rechtelijke bezwaren geen grond opleveren voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim was, en dat de Hoge Raad al eerder (ECLI:NL:HR:2026:915) heeft geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen.
Impactscore
LaagHet arrest is een procedurele bevestiging van reeds bestaande rechtspraak (verwijzing naar ECLI:NL:HR:2026:915) en stelt geen nieuwe rechtsregels; de juridische en maatschappelijke reikwijdte is beperkt tot procesrechtelijke naleving.
Belangrijkste punten
- 1Griffierecht werd tijdig in rekening gebracht per aangetekende brief maar niet betaald door belanghebbende.
- 2Belanghebbende betoogde dat vooraf heffen van griffierecht in strijd is met art. 47 jo. art. 52 EU-Handvest en dat achteraf heffen evenrediger zou zijn.
- 3De Hoge Raad verwijst naar zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) en ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU.
- 4Niet-betaling van griffierecht leidt op grond van art. 8:41 lid 6 Awb dwingend tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
- 5Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad bevestigt consistent zijn lijn dat het vooraf heffen van griffierecht niet in strijd is met het EU-Handvest en dat daarvoor geen prejudiciële vragen nodig zijn, waarmee deze rechtsvraag opnieuw definitief wordt afgedaan. Dit arrest heeft een consoliderende werking voor de toepassing van art. 8:41 Awb in cassatieprocedures.
Praktische impact
Belastingplichtigen die cassatieberoep instellen moeten tijdig griffierecht betalen; het niet-betalen leidt onherroepelijk tot niet-ontvankelijkheid, ook als EU-rechtelijke bezwaren worden aangevoerd. Een beroep op het EU-Handvest om griffierecht te omzeilen of uit te stellen biedt geen soelaas.
Onderwerp-impact
Voor de overheidspraktijk bevestigt deze uitspraak dat de griffierechtplicht in belastingzaken onverkort van kracht blijft en niet met succes kan worden betwist via een beroep op evenredigheid onder het EU-Handvest.
Samenvatting
In deze zaak stelde een belastingplichtige cassatieberoep in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 3 maart 2026. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende bij aangetekende brief op de verschuldigdheid van griffierecht en stelde een betalingstermijn van vier weken. De brief werd volgens Track&Trace-gegevens van PostNL bezorgd op het opgegeven adres, maar het griffierecht bleef onbetaald. Na een herstelmogelijkheid via het digitale dossier voerde belanghebbende aan dat het verplicht vooraf betalen van griffierecht als ontvankelijkheidsvoorwaarde in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest van de grondrechten, gelezen in samenhang met artikel 52. Belanghebbende stelde dat achteraf heffen bij een ongegrond beroep een veel evenrediger alternatief zou zijn en verzocht de Hoge Raad prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De centrale juridische vraag was of de wettelijke verplichting tot vooraf betalen van griffierecht, zoals neergelegd in artikel 8:41 Awb, verenigbaar is met het EU-recht, en of de Hoge Raad verplicht is hierover prejudiciële vragen te stellen. De Hoge Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Onder verwijzing naar zijn eerdere arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915), waarin de EU-rechtelijke bezwaren tegen de griffierechtplicht reeds uitvoerig zijn behandeld en verworpen, oordeelt de Hoge Raad dat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen. Het beroep in cassatie wordt op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb niet-ontvankelijk verklaard. Dit arrest bevestigt opnieuw dat het niet-betalen van griffierecht een fatale procedurefout is die niet kan worden gecorrigeerd via een beroep op evenredigheid of EU-grondrechten, en dat de Hoge Raad op dit punt een vaste, consistente lijn hanteert.