Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1657, Hoge Raad, 09-10-2026, 26/01525
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. Het griffierecht werd niet betaald binnen de gestelde termijn. Belanghebbende stelde dat voorafgaande griffierechtheffing in strijd is met artikel 47 EU-Handvest en eiste prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb wegens het niet-betalen van griffierecht. Er is geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie, nu dit reeds is beslist in HR 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915).
Impactscore
LaagDe uitspraak is een routinematige toepassing van vaste rechtspraak (HR 12 juni 2026) en betreft uitsluitend een procedurele niet-ontvankelijkheid. Er worden geen nieuwe rechtsregels geformuleerd.
Belangrijkste punten
- 1Griffierecht niet betaald binnen vier weken na aangetekende aanmaning; brief aantoonbaar afgeleverd via Track&Trace.
- 2Belanghebbende betoogt dat voorafgaande griffierechtheffing in strijd is met artikel 47 jo. 52 EU-Handvest en dat achteraf heffen evenrediger zou zijn.
- 3De Hoge Raad verwijst naar HR 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) en ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen.
- 4Niet-ontvankelijkheid volgt dwingend uit artikel 8:41 lid 6 Awb bij niet-betaling van griffierecht.
- 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad bevestigt de lijn uit HR 12 juni 2026 dat de verplichting tot voorafgaande betaling van griffierecht niet in strijd is met artikel 47 EU-Handvest, en dat prejudiciële vragen hierover niet nodig zijn. Dit versterkt de bestendigheid van het Nederlandse griffierechtenstelsel in belastingzaken.
Praktische impact
Belastingplichtigen en hun gemachtigden dienen griffierecht tijdig te voldoen; het achterwege laten hiervan leidt onvermijdelijk tot niet-ontvankelijkheid, ongeacht de inhoudelijke argumenten over strijdigheid met Europees recht.
Onderwerp-impact
Voor belastingprocedures bij de Hoge Raad geldt dat het Europese grondrechtargument inzake griffierecht na dit arrest en HR 2026:915 als uitgespeeld kan worden beschouwd, tenzij het Hof van Justitie andersluidend oordeelt op initiatief van een andere rechter.
Samenvatting
In deze zaak had belanghebbende cassatieberoep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam (uitspraken nrs. 25/554 t/m 25/558). De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 29 mei 2026 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gegeven. Uit Track&Trace-gegevens van PostNL bleek dat de brief op het opgegeven adres was afgeleverd. Het griffierecht werd echter niet betaald. Op 30 juni 2026 is belanghebbende via het digitale dossier in de gelegenheid gesteld te reageren op de reden van niet-betaling. In zijn reactie van 8 juli 2026 voerde belanghebbende aan dat de verplichte voorafgaande betaling van griffierecht als ontvankelijkheidsvoorwaarde in strijd is met artikel 47 juncto artikel 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Volgens belanghebbende zou achteraf heffen bij een ongegrond beroep een veel evenrediger alternatief zijn, en zou de Hoge Raad hierover verplicht zijn prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU. De Hoge Raad verwerpt dit betoog. Onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 3.1.3 tot en met 3.4 van het arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) oordeelt de Hoge Raad dat er geen aanleiding bestaat voor het stellen van prejudiciële vragen. De argumenten van belanghebbende leveren geen grond op voor het oordeel dat sprake is van een verschoonbaar verzuim. Op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb wordt het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak heeft beperkte zelfstandige rechtsontwikkelende waarde, nu zij voortbouwt op een eerder arrest uit 2026 en louter een procedurele afdoening betreft. Voor de rechtspraktijk onderstreept de uitspraak dat het tijdig voldoen van griffierecht een absolute voorwaarde blijft voor toegang tot de cassatierechter in belastingzaken.