Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1655, Hoge Raad, 09-10-2026, 26/01519
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, maar betaalde het verschuldigde griffierecht niet. Als verweer voerde belanghebbende aan dat de verplichting tot voorafbetaling van griffierecht in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest van de grondrechten.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb, omdat het griffierecht niet is voldaan. Het argument dat voorafgaande betaling van griffierecht in strijd is met het EU-Handvest wordt verworpen onder verwijzing naar HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, en er is geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een procesrechtelijke afdoening zonder inhoudelijke beoordeling en bevestigt slechts een reeds in juni 2026 door de Hoge Raad gevestigde lijn; er wordt geen nieuwe rechtsregel gesteld.
Belangrijkste punten
- 1Griffierecht niet betaald binnen de gestelde termijn van vier weken na aangetekende kennisgeving.
- 2Belanghebbende stelt dat voorafgaande griffierechtbetaling strijdig is met artikel 47 EU-Handvest gelezen in samenhang met artikel 52 EU-Handvest.
- 3De Hoge Raad verwijst naar zijn eerder arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) waarin deze kwestie reeds is beslist.
- 4Geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU.
- 5Niet-ontvankelijkverklaring volgt dwingend uit artikel 8:41 lid 6 Awb bij niet-betaling van griffierecht.
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad bevestigt opnieuw dat de verplichting tot voorafgaande betaling van griffierecht niet in strijd is met artikel 47 EU-Handvest, en dat er geen grond bestaat voor prejudiciële verwijzing naar het HvJEU over dit onderwerp. Dit consolideert de lijn uit HR 12 juni 2026.
Praktische impact
Belanghebbenden in cassatieprocedures moeten griffierecht tijdig voldoen op straffe van niet-ontvankelijkheid; het nalaten hiervan, ook met een beroep op Europees recht, leidt onherroepelijk tot afdoening zonder inhoudelijke behandeling.
Onderwerp-impact
Voor procedures bij de belastingrechter (en bestuursrecht in het algemeen) geldt onverkort de verplichting tot voorafgaande betaling van griffierecht; argumenten ontleend aan EU-grondrechten bieden hiertegen geen soelaas.
Samenvatting
In deze zaak had belanghebbende cassatieberoep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 26 februari 2026. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende bij aangetekende brief op de verschuldigdheid van griffierecht en stelde een betalingstermijn van vier weken. Uit Track & Trace-gegevens bleek dat de brief correct was afgeleverd, maar het griffierecht bleef onbetaald. Nadat belanghebbende de gelegenheid kreeg zich te verklaren, voerde hij aan dat de verplichting om griffierecht vooraf te betalen — op straffe van niet-ontvankelijkheid — in strijd is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 52 van dat Handvest. Volgens belanghebbende is een stelsel waarbij griffierecht pas achteraf wordt geheven bij ongegrond beroep veel evenrediger, en zou de Hoge Raad hierover prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU moeten stellen. De Hoge Raad gaat hier niet in mee. Onder verwijzing naar zijn eerder arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915), waarin dezelfde principiële vraag reeds uitvoerig is besproken en beantwoord, oordeelt de Hoge Raad dat het Europese recht niet dwingt tot een stelsel van uitgestelde griffierechtbetaling en dat er geen aanleiding bestaat voor het stellen van prejudiciële vragen. Omdat het griffierecht niet is betaald, volgt niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. De zaak wordt dan ook zonder inhoudelijke behandeling afgedaan. De uitspraak heeft beperkte zelfstandige betekenis: zij consolideert de in juni 2026 ingezette rechtslijn en bevestigt dat pogingen om via artikel 47 EU-Handvest de griffierechtplicht te omzeilen, niet slagen bij de Hoge Raad.