Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1654, Hoge Raad, 09-10-2026, 26/01518
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. De Hoge Raad wees op de verschuldigdheid van griffierecht, maar belanghebbende betaalde dit niet en voerde aan dat vooraf heffen van griffierecht in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest.
Beslissing van de rechter
Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb wegens het niet tijdig betalen van griffierecht. De Hoge Raad ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU, omdat hij al eerder in een arrest van 12 juni 2026 op gelijke gronden heeft geoordeeld dat het EU-Handvest geen beletsel vormt voor de Nederlandse griffierechtregeling.
Impactscore
LaagDe uitspraak bevestigt enkel bestaand recht uit een arrest van juni 2026 en bevat geen nieuwe rechtsontwikkeling; het is een procedurele niet-ontvankelijkverklaring op een al beslechte rechtsvraag.
Belangrijkste punten
- 1Griffierecht niet voldaan binnen de gestelde termijn van vier weken na aangetekende brief.
- 2Belanghebbende betoogde dat voorafgaand heffen van griffierecht in strijd is met artikel 47 juncto artikel 52 EU-Handvest (recht op effectieve rechtsbescherming).
- 3Hoge Raad verwijst naar eigen arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) en ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen.
- 4Niet-ontvankelijkverklaring volgt rechtstreeks uit artikel 8:41 lid 6 Awb bij niet-betaling griffierecht.
- 5Geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad bevestigt zijn lijn uit het arrest van 12 juni 2026 dat de Nederlandse griffierechtregeling (vooraf betalen op straffe van niet-ontvankelijkheid) niet in strijd is met het EU-Handvest, en dat er geen grond bestaat voor prejudiciële verwijzing naar het HvJEU op dit punt.
Praktische impact
Belastingplichtigen en andere procespartijen die cassatieberoep instellen, worden nogmaals gewaarschuwd dat het niet tijdig betalen van griffierecht onvermijdelijk leidt tot niet-ontvankelijkheid, ook als zij EU-rechtelijke bezwaren aanvoeren tegen de griffierechtplicht.
Onderwerp-impact
Voor belastingprocedures onderstreept deze uitspraak dat toegang tot de cassatierechter strikt afhankelijk blijft van tijdige betaling van griffierecht; een beroep op EU-grondrechten om dit te omzeilen slaagt niet.
Samenvatting
In deze zaak had een belastingplichtige cassatieberoep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. De griffier van de Hoge Raad wees de belanghebbende per aangetekende brief op de verschuldigdheid van griffierecht en stelde een betalingstermijn van vier weken. Na aflevering van de brief op het opgegeven adres bleef betaling uit. Belanghebbende werd vervolgens via het digitale dossier in de gelegenheid gesteld te reageren op de niet-betaling. In zijn reactie betoogde de belanghebbende dat het verplicht vooraf betalen van griffierecht als ontvankelijkheidsvoorwaarde in strijd is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 52 van datzelfde Handvest. Hij stelde dat een evenrediger alternatief zou zijn om griffierecht alleen achteraf te heffen bij een ongegrond beroep, en riep de Hoge Raad op om hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De Hoge Raad verwierp dit betoog. Onder verwijzing naar zijn eigen arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915), waarin hij op dezelfde gronden al uitgebreid heeft gemotiveerd waarom de Nederlandse griffierechtregeling niet in strijd is met het EU-Handvest en er geen aanleiding bestaat voor prejudiciële verwijzing, oordeelde de Hoge Raad dat de aangevoerde argumenten geen grond opleveren voor het oordeel dat de belanghebbende niet in verzuim was. Op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb werd het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak bevat geen nieuwe rechtsontwikkeling en heeft beperkte zelfstandige impact, maar benadrukt nogmaals de strikte handhaving van de griffierechtplicht en de afwijzende houding van de Hoge Raad ten aanzien van EU-rechtelijke bezwaren daartegen.