Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens niet-digitaal procederen
ECLI:NL:HR:2026:1650, Hoge Raad, 09-10-2026, 26/01177
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener stelde per aangetekende brief beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag. De griffier verzocht de indiener het beroepschrift alsnog digitaal via het webportaal in te dienen, maar aan dit verzoek werd geen gevolg gegeven.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De doorslaggevende reden is dat beroepsmatige rechtsbijstandverleners verplicht zijn digitaal te procederen via het webportaal, en de indiener deze verplichting niet heeft nageleefd ondanks een herstelmogelijkheid.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande, reeds gevestigde regels toe zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de impact is beperkt tot processuele ordening en bevestiging van de digitale procesplicht.
Belangrijkste punten
- 1Beroepsmatige rechtsbijstandverleners zijn op grond van het Besluit van 6 maart 2019 (Stb. 2020, 99) verplicht digitaal te procederen bij de Hoge Raad.
- 2Een per aangetekende brief ingediend beroepschrift voldoet niet aan de verplichte digitale procesvorm.
- 3De griffier bood een herstelmogelijkheid van zes weken om het beroepschrift alsnog digitaal in te dienen.
- 4Nu de aangetekende brief blijkens Track&Trace is afgehaald maar aan het verzoek geen gevolg werd gegeven, bestaat geen verschoonbare reden voor verzuim.
- 5De niet-ontvankelijkheid wordt uitgesproken op grond van artikel 8:36a lid 5 Awb.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak bevestigt de strikte handhaving van de digitale procesplicht voor professionele rechtsbijstandverleners in cassatie: niet-naleving na herstelverzoek leidt onherroepelijk tot niet-ontvankelijkheid. De uitspraak heeft geen nieuw rechtsvormend karakter maar illustreert de consequente toepassing van bestaande regels.
Praktische impact
Rechtsbijstandverleners die cassatie instellen dienen dit uitsluitend via het webportaal van de Hoge Raad te doen; een papieren indiening is niet hersteld na een herstelverzoek fataal voor de zaak van de cliënt.
Onderwerp-impact
Voor de juridische dienstverlening onderstreept deze uitspraak het belang van digitale vaardigheid en processuele compliance bij het instellen van cassatieberoep in belastingzaken.
Samenvatting
In deze zaak stelde een beroepsmatige rechtsbijstandverlener cassatieberoep in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 17 februari 2026 in een belastingzaak. Het beroepschrift werd echter per aangetekende brief ingediend, terwijl op grond van het Besluit van 6 maart 2019 (Staatsblad 2020, 99) beroepsmatig optredende rechtsbijstandverleners verplicht zijn digitaal te procederen via het webportaal van de Hoge Raad. De centrale juridische vraag was of het cassatieberoep ontvankelijk kon worden verklaard ondanks de niet-naleving van de digitale procesplicht. De griffier van de Hoge Raad verzond op 10 april 2026 een aangetekende brief met het verzoek het beroepschrift binnen zes weken alsnog digitaal in te dienen. Uit Track&Trace-gegevens van PostNL bleek dat de brief was afgehaald op de afhaallocatie, zodat de indiener geacht kon worden kennis te hebben genomen van het herstelverzoek. Desondanks werd aan het verzoek geen gevolg gegeven. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:36a lid 5 Awb. De redenering is helder: de digitale procesplichtverplichting voor professionele rechtsbijstandverleners is dwingend, de herstelgelegenheid werd geboden maar niet benut, en er is geen aanleiding om de overschrijding als verschoonbaar te beschouwen. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Hoge Raad geen aanleiding. De uitspraak stelt geen nieuwe rechtsnormen maar bevestigt de strikte en consequente handhaving van de digitale procesplicht. Voor de rechtspraktijk is de les eenduidig: het niet-digitaal indienen van een cassatieberoep door een professionele rechtsbijstandverlener is een fataal gebrek dat, bij niet-herstel, leidt tot niet-ontvankelijkheid en daarmee definitief verlies van de cassatiemogelijkheid.