JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1649Laag22/100

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens negeren digitale procesverplichting

ECLI:NL:HR:2026:1649, Hoge Raad, 09-10-2026, 26/01176

Hoge RaadUitspraak: 9 oktober 2026Publicatie: 9 oktober 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:26/01176
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Dienstverlening
Niet Ontvankelijkheid
Cassatie
Digitaal Procederen
Hersteltermijn
Procresverplichting

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Kern van de zaak

Een beroepsmatig rechtsbijstandverlener stelde per aangetekende brief beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag. De griffier wees de indiener op de verplichting tot digitaal procederen en gaf een hersteltermijn van zes weken. De indiener gaf geen gehoor aan dit verzoek.

Beslissing van de rechter

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:36a lid 5 Awb. Doorslaggevend is dat een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener verplicht is digitaal te procederen via het webportaal van de Hoge Raad, en de indiener naliet dit na uitdrukkelijke sommatie alsnog te doen.

22van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak bevat geen nieuwe rechtsregels maar is een routinematige toepassing van de bekende digitale procesverplichting; de niet-ontvankelijkverklaring wegens schending van formele procesvereisten is vaste praktijk bij de Hoge Raad.

Belangrijkste punten

  • 1Beroepsmatige rechtsbijstandverleners zijn op grond van het Besluit van 6 maart 2019 (Stb. 2020, 99) verplicht digitaal te procederen bij de Hoge Raad.
  • 2Een per aangetekende brief ingediend cassatieberoep voldoet niet aan de digitale procesverplichting.
  • 3De griffier heeft de indiener een herstelmogelijkheid geboden met een termijn van zes weken; de brief werd afgehaald maar niet opgevolgd.
  • 4Bij niet-naleving na herstelsommatie past de Hoge Raad artikel 8:36a lid 5 Awb toe en verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
  • 5Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de strikte handhaving van de digitale procesverplichting voor beroepsmatige rechtsbijstandverleners: het niet-digitaal indienen van processtukken, ook na een hersteltermijn, leidt onvermijdelijk tot niet-ontvankelijkheid op grond van artikel 8:36a lid 5 Awb.

Praktische impact

Rechtsbijstandverleners die verzuimen digitaal te procederen bij de Hoge Raad riskeren dat hun cliënten hun recht op cassatie volledig verliezen, ook als de aangetekende brief feitelijk is afgehaald en de hersteltermijn ongebruikt verstrijkt.

Onderwerp-impact

Binnen het belastingrecht (de onderliggende zaak betreft een belastinggeschil bij Gerechtshof Den Haag) benadrukt deze uitspraak dat digitale procesverplichting ook in fiscale cassatieprocedures absoluut geldt en niet wordt gedoogd bij niet-naleving.

Samenvatting

In deze zaak had een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener cassatieberoep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (belastingkamer) door middel van een aangetekende brief, in plaats van via het verplichte digitale webportaal van de Hoge Raad. Op grond van het Besluit van 6 maart 2019 (Staatsblad 2020, 99), dat de gedeeltelijke inwerkingtreding regelt van de Wet digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursrecht, geldt voor beroepsmatige rechtsbijstandverleners een onvoorwaardelijke verplichting om digitaal te procederen bij de Hoge Raad. De griffier van de Hoge Raad heeft de indiener aangetekend in kennis gesteld van dit verzuim en hem een herstelperiode van zes weken gegeven om het beroepschrift alsnog via het webportaal in te dienen. Uit de Track & Trace-gegevens van PostNL bleek dat de brief daadwerkelijk was afgehaald op de afhaallocatie. Desondanks gaf de indiener geen gehoor aan het verzoek. De Hoge Raad stelt vast dat aan de formele verplichting niet is voldaan en past artikel 8:36a lid 5 Awb toe, op grond waarvan het beroep in cassatie niet-ontvankelijk wordt verklaard. De rechtsvraag is daarmee puur formeel van aard: de inhoudelijke beoordeling van het geschil komt niet aan de orde. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Hoge Raad geen aanleiding. Deze uitspraak illustreert de consequente en strikte handhaving van de digitale procesverplichting. Voor de praktijk is de boodschap helder: beroepsmatige rechtsbijstandverleners die verzuimen digitaal in te dienen — ook na een expliciete herstelsommatie — lopen het risico dat hun cliënten hun toegang tot de cassatierechter definitief verliezen. Dit onderstreept het belang van processuele zorgvuldigheid bij het instellen van rechtsmiddelen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 9 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

Hoge Raad·9 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1661

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

18/100Bekijk
Hoge Raad·9 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1648

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens schending digitaal procederen

18/100Bekijk
Hoge Raad·9 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1656

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

28/100Bekijk
Hoge Raad·9 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1662

Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied