Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1643, Hoge Raad, 09-10-2026, 24/02186
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een vennootschap (belanghebbende) stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam in een belastingzaak. Zij betaalde het verschuldigde griffierecht niet tijdig en deed een beroep op betalingsonmacht. De griffier oordeelde dat betalingsonmacht niet aannemelijk was gemaakt.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De doorslaggevende reden is dat belanghebbende het griffierecht niet heeft voldaan en haar beroep op betalingsonmacht onvoldoende met stukken heeft onderbouwd, waarna zij ook de tweede betalingstermijn onbenut heeft gelaten.
Impactscore
LaagDe uitspraak is procedureel van aard en past volledig binnen de bestaande, vaste jurisprudentielijn van de Hoge Raad over griffierecht en betalingsonmacht; zij stelt geen nieuwe rechtsregels en heeft geen richtinggevende werking.
Belangrijkste punten
- 1Griffierecht niet tijdig betaald na eerste aanmaning en herinnering
- 2Beroep op betalingsonmacht gedaan op 16 augustus 2024, na de initiële betalingstermijn
- 3Ingediende stukken (salarisspecificaties, VPB-aangifte 2019, uitstelbrief VPB 2020) volstonden niet om betalingsonmacht aannemelijk te maken
- 4Griffier bood nog een tweede kans met een nieuwe betalingstermijn van vier weken, die evenmin werd benut
- 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn van de Hoge Raad dat een beroep op betalingsonmacht concreet en volledig onderbouwd moet worden met actuele financiële gegevens van zowel de rechtspersoon als de direct-belanghebbenden, en dat onvoldoende bewijs leidt tot niet-ontvankelijkheid. De verwijzingen naar eerdere arresten (HR 2022, HR 2025, HR 2016) tonen dat dit een bestendige toepassing van bestaand beleid betreft.
Praktische impact
Voor vennootschappen die cassatie overwegen is het essentieel om griffierecht tijdig te voldaan of een betalingsonmachtberoep volledig te onderbouwen met actuele jaarstukken, bankafschriften en informatie over gelieerde personen; onvolledige documentatie leidt onherroepelijk tot niet-ontvankelijkheid.
Onderwerp-impact
In belastingprocedures bij de Hoge Raad onderstreept dit arrest dat processuele drempels (griffierecht) strikt worden gehandhaafd, ook wanneer de inhoudelijke belastingkwestie mogelijk gegrond zou zijn.
Samenvatting
In deze zaak had een vennootschap beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam in een belastinggeschil. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende op de verschuldigdheid van griffierecht en stelde een betalingstermijn van vier weken. Na het uitblijven van betaling volgde een herinnering, waarna belanghebbende alsnog een beroep op betalingsonmacht deed. Zij legde daartoe een reeks stukken over: een ingevuld formulier 'Verklaring afwezigheid vermogen', salarisspecificaties van de bestuurder over een periode van ruim een half jaar in 2024, een afdruk van de VPB-aangifte over 2019 en een brief van de Ontvanger over uitstel voor de VPB-aangifte 2020. De griffier oordeelde op 21 april 2026 dat deze stukken onvoldoende waren om betalingsonmacht aannemelijk te maken. Daarvoor ontbraken onder meer recente en volledige financiële gegevens van de vennootschap zelf (zoals actuele jaarstukken of bankafschriften) en voldoende informatie over de financiële positie van personen met een direct belang bij de vennootschap. Belanghebbende kreeg nog één laatste betalingstermijn van vier weken, maar voldeed het griffierecht ook toen niet. De juridische vraag was of het beroep in cassatie ontvankelijk kon worden verklaard zonder betaling van het griffierecht, dan wel of het beroep op betalingsonmacht terecht was gehonoreerd. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie niet-ontvankelijk, in lijn met vaste jurisprudentie (onder meer HR 11 februari 2022 en HR 7 november 2025). Een proceskostenveroordeling bleef achterwege. De uitspraak bevestigt dat een beroep op betalingsonmacht concreet, volledig en met actuele stukken onderbouwd moet worden, en dat onvolledige documentatie fataal is voor de ontvankelijkheid.