Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1609, Hoge Raad, 02-10-2026, 26/01131
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant, maar weigerde griffierecht te betalen. Hij betoogde dat verplichte voorafgaande betaling van griffierecht in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest van de grondrechten en dat de Hoge Raad hierover prejudiciële vragen aan het HvJ EU diende te stellen.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb, omdat het griffierecht niet tijdig is voldaan. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU, onder verwijzing naar zijn eerdere arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) waarin dit argument reeds is verworpen.
Impactscore
LaagHet arrest is een bevestiging van reeds bestaande rechtspraak (HR 12 juni 2026) en voegt geen nieuwe rechtsnorm toe; de beslissing is procesrechtelijk van aard en heeft beperkte precedentwerking buiten de specifieke ontvankelijkheidsvraag.
Belangrijkste punten
- 1Niet-betaling van griffierecht binnen de gestelde termijn leidt dwingend tot niet-ontvankelijkheid op grond van art. 8:41 lid 6 Awb.
- 2Het argument dat voorafgaande griffierechtbetaling in strijd is met art. 47 EU-Handvest werd verworpen onder verwijzing naar HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915.
- 3De Hoge Raad ziet geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU over de verenigbaarheid van het griffierechtenstelsel met het EU-Handvest.
- 4Het betoog dat griffierecht pas achteraf bij ongegrond beroep geheven zou moeten worden, wordt niet gevolgd als grond voor vrijstelling van het verzuim.
- 5Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Impactanalyse
Juridische impact
Dit arrest bevestigt de vaste lijn van de Hoge Raad dat het Nederlandse griffierechtenstelsel niet in strijd is met artikel 47 EU-Handvest en sluit aan bij HR 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915); de drempel voor prejudiciële verwijzing over dit onderwerp blijft hoog.
Praktische impact
Belastingplichtigen die cassatieberoep instellen dienen tijdig griffierecht te betalen; het niet betalen leidt onvermijdelijk tot niet-ontvankelijkheid, ongeacht de aangevoerde grondrechtelijke bezwaren.
Onderwerp-impact
Voor de fiscale rechtspraktijk bevestigt dit arrest dat processuele betalingsverplichtingen strikt worden gehandhaafd en dat creatieve grondrechtelijke argumenten om deze te omzeilen weinig kans van slagen hebben.
Samenvatting
In deze zaak stelde belanghebbende cassatieberoep in tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 februari 2026. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende bij aangetekende brief op de verschuldigdheid van griffierecht en stelde een betalingstermijn van vier weken. Ondanks de aantoonbare ontvangst van deze brief bleef betaling uit. Vervolgens werd belanghebbende in de gelegenheid gesteld te verklaren waarom het griffierecht niet was voldaan. In zijn reactie voerde belanghebbende aan dat de verplichting om voorafgaand aan de behandeling griffierecht te betalen – op straffe van niet-ontvankelijkheid – in strijd is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 52 daarvan. Belanghebbende betoogde dat een systeem waarbij griffierecht pas achteraf bij een ongegrond beroep wordt geheven veel evenrediger is en dat de Hoge Raad hierover verplicht prejudiciële vragen diende te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De Hoge Raad verwerpt dit betoog en verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. Voor de afwijzing van de prejudiciële verwijzing verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915), waarin hetzelfde argument op vergelijkbare gronden reeds was behandeld en verworpen. Het argument van belanghebbende levert dan ook geen grond op voor het oordeel dat hij niet in verzuim is geweest. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Dit arrest heeft beperkte zelfstandige rechtsontwikkelende betekenis, maar bevestigt de consistente lijn van de Hoge Raad dat het Nederlandse griffierechtenstelsel de Europeesrechtelijke toets doorstaat en dat de toegangsdrempel tot de cassatierechter via griffierecht rechtmatig is.