Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1605, Hoge Raad, 02-10-2026, 26/01125
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (belanghebbende) stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Belanghebbende weigerde het verschuldigde griffierecht te betalen en voerde aan dat voorafgaande betaling van griffierecht op straffe van niet-ontvankelijkheid in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb, omdat het griffierecht niet is voldaan. De Hoge Raad ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie, nu het verweer van belanghebbende geen grond oplevert voor het oordeel dat hij niet in verzuim is geweest.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een standaard niet-ontvankelijkverklaring wegens onbetaald griffierecht en voegt inhoudelijk weinig toe aan de reeds in juni 2026 gestelde lijn; de rechtsontwikkeling is daarmee primair vastgelegd in het eerdere arrest.
Belangrijkste punten
- 1Griffierecht is niet betaald ondanks aangetekende aanmaning en een herstelmogelijkheid via het digitale dossier.
- 2Belanghebbende betoogde dat vooraf heffen van griffierecht in strijd is met artikel 47 EU-Handvest en dat heffing achteraf (bij ongegrond beroep) evenrediger zou zijn.
- 3De Hoge Raad verwijst naar zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) voor de motivering waarom geen prejudiciële vragen worden gesteld.
- 4Artikel 8:41 lid 6 Awb verplicht tot niet-ontvankelijkverklaring bij niet-betaling van griffierecht.
- 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad bevestigt – in lijn met zijn arrest van juni 2026 – dat de Awb-griffierechtregeling niet in strijd is met artikel 47 EU-Handvest en dat er geen aanleiding bestaat voor een prejudiciële verwijzing naar het Hof van Justitie. Dit versterkt de bestendigheid van het huidige griffierechtstelsel.
Praktische impact
Belastingplichtigen die griffierecht niet betalen verliezen hun toegang tot cassatie, ook als zij dit op principiële gronden weigeren. De uitspraak bevestigt dat het betoog over evenrediger achterafheffing niet slaagt bij de Hoge Raad.
Onderwerp-impact
Voor procedures bij de overheid geldt onverminderd dat tijdige betaling van griffierecht een harde ontvankelijkheidseis is; bezwaren van principiële aard over de heffingssystematiek worden door de Hoge Raad niet gehonoreerd.
Samenvatting
In deze zaak had een belastingplichtige cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 februari 2026. De griffier stuurde op 7 mei 2026 per aangetekende brief een griffierechtaanmaning met een betaaltermijn van vier weken; de brief is aantoonbaar afgeleverd maar het griffierecht bleef onbetaald. Op 5 juni 2026 werd belanghebbende via het digitale dossier in de gelegenheid gesteld te verklaren waarom betaling uitbleef. Belanghebbende reageerde op 11 juni 2026 en stelde – samengevat – dat de verplichting tot voorafgaande betaling van griffierecht als ontvankelijkheidseis in strijd is met het recht op effectieve rechterlijke bescherming, neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gelezen in samenhang met artikel 52 daarvan. Naar zijn mening zou een systeem van achterafheffing bij een ongegrond beroep veel evenrediger zijn, en hij meende dat de Hoge Raad hierover prejudiciële vragen diende te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De Hoge Raad verwerpt dit betoog. Onder verwijzing naar zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915), waarin hij de relevante kwestie al uitvoerig heeft beoordeeld, oordeelt hij dat er geen aanleiding bestaat voor een prejudiciële verwijzing. Het door belanghebbende aangevoerde levert geen grond op voor het oordeel dat hij niet in verzuim is geweest met de betaling van het griffierecht. Op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb is niet-ontvankelijkverklaring dan verplicht. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie dan ook niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak heeft beperkte zelfstandige precedentwerking nu zij inhoudelijk leunt op het arrest van juni 2026, maar bevestigt dat principiële bezwaren tegen het griffierechtregime geen vrijstelling van betaling opleveren.